Brieven

De rotzooi verflodderen

Beste lezer,

De regen blijft stromen en voor sommigen gaat het leven slepen. Zoals onlangs voor een jongmens voor wie zijn smarten te pijnlijk begonnen te snerpen en het gewicht van de liefde niet meer te dragen was.

Hij ligt tegen me aan, in een bedje in de yurt bij het vuur. Samen diep onder de dekens. Hij voelt koud aan, in zijn hoofd ; in zijn lijf en hij lijkt niet meer te weten dat dit een kou is waar bescherming tegen bestaat. Hij voelt zwak, vergeten wat kracht is; kracht om overeind te staan en de wereld recht in de ogen te kijken. Hij lijkt zichzelf te willen beëindigen. Nog even en hij is nauwelijks nog te ontdekken en als je geen hond was, je zou er overheen kunnen kijken. Maar wie goed aanwezig is voelt de ongenadige eenzaamheid snijden. Gelukkig ben ik een hond, met veel lijf en veel vacht.

Gelukkig is mijn warmte voorbeeldig op post en deze is heel goed in staat om het leven van het jong mens op temperatuur te houden. Ik heb geleerd het zorgelijke en sombere van me af te ademen. Stilaan kan de grote zee van verdriet kalmeren. De jongen ligt niet meer diep onder water maar is boven komen drijven.. op mij, zwaar en hijgend op mij. Ik schuifel tot ik terug kan ademen. Maar dit jong kan zich aan me vastklampen als een reddingsboei en reddeloos is het jongmens nu niet meer.

Gonzend van waarde

Waarde lezer,

Er gebeurt plots iets vreemds met de mens in deze donkere periode van het jaar.

Het begint langzaam maar zeker te waaien in hun hoofd. Ze raken zo vol gedachten over wat voorbij is en wat nog moet komen, dwingende en droge gedachten die zo snel en krakend door hen heen trekken, dat geen stilte van buiten er iets kan aan verkoelen of verzachten.

Het blijft een vreemde kwestie om aangetrokken en geteisterd te worden door wat voorbij is, tijdens dat graven plots misselijk makende beelden tegen te komen, daarover vervolgens nog eens te gaan huiveren en sidderen en keer op keer onrustig en triest worden over diezelfde voorbijigheid.

En terwijl je ze ziet weg waaien in het hoofd, de ogen in de verte starend, dwalend naar een groot leeg eiland, een grote levenloze ruimte, keer op keer betredend terwijl er niks te halen valt… enkel de voorbije onrust en de pijn, en de miserie die mogelijks nog zal komen, heb ik weer eens met hen te doen.  Herkauwend als was het iets om zich aan vast te klampen, aan die pijn, als was het een stokje dat gegooid werd en dat je niet meer loslaat. Onwillekeurig in de greep van een fataal gebeuren dat alle lol leegzuigt. Ikzelf ruik en hoor het aan hun onregelmatige ademhaling, hun hartslag die tekeer gaat.

Geen hond die daar iets van snapt. Ik denk niet dat ik naar dat eiland wil en af en toe overvalt het me als een groot geluk dat ik de weg er naartoe niet ken. Voor ons zijn oude geuren een vluchtige gleuf naar het verleden… waar je het leven doorheen ziet woekeren, het leven van vroeger dat even snel wegwaait als de geur zelf.

Een proef der werkelijke eenzaamheid

Beste lezer,

Bonnie was een gehaat hondje. Reeds zijn simpele verschijning in de kring deed de andere honden hun humeur verliezen want honden houden niet van geveinsde zwakte en deze eigenschap bezat Bonnie in hoge mate. Als de geveinsde zwakte door een mens versterkt wordt met medelijden is de feestvreugde helemaal ver te zoeken. Zo’n hondje is ooit eens uit evenwicht geraakt, toonde aldus waarschijnlijk eventjes een moment van zwakte en dat werd dan per direct beloond door een mens met een buitensporige portie aandacht.

Bonnie was dus angstig, en deze angst had zich als een lopend vuurtje in zijn lijf, zijn hoofd en zijn leven verspreid. Hoe meer angst hij toonde, hoe meer aandacht hij kreeg. Hij was niet enkel meer angstig voor wind en regen maar voor ongeveer elk geluid, of het nu uit de natuur of uit een mensen-apparaat kwam. Plotse beweging, een vallende object waren voldoende om hem helemaal van zijn apropos te brengen. Het beestje was mager, bibberig en al licht grijzend. Klaarblijkelijk at het nog nauwelijks. Zijn mens was radeloos, triest en liep over van medelijden.

Bonnie zelf had ook erg te doen met zichzelf. Hij vond de andere honden onnozel, onbezonnen en naïef. Hij wou dat ze maar eens kennis moesten maken met de angstige realiteit van het echte leven. Het leven, zo meende hij, brengt namelijk altijd iemand op andere gedachten.

Bonnie was dus voor een dag begeleiding afgezet bij de dieren en mensen van Patrasche en algauw zou hij kennis gaan maken met de befaamde werkelijkheid. Alle ander honden en mensen vormden samen ook de realiteit in wat ze de hele dag deden en dachten en Bonnie hield zich daar volkomen buiten. Hij keek de mensen één voor één strak aan, wachtend op een teken van medelijden. Dat was de storende noot nummer één. De jong mensen in de kring, die geleerd hadden over geveinsde zwakkigheid en het opeisen van medelijden, sloegen geen acht op hem. Bonnie voelde de bui van verandering hangen want hij begon over zijn hele spichtige lijfje te trillen en de frons in zijn voorhoofd leek vol verontwaardiging te zeggen ‘ge moet maar durven’.

Gedoofd is haar tegenwoordigheid mij liever

Beste lezer,

Een mensenmoeder waarover ik het hier eventjes wil hebben en die hier laatst donderend binnen waaide, dwaalt al dagenlang als een overbelaste herinnering in mijn kop; vooreerst omdat het mens rook als haastige en agressieve wanhoop maar ook omdat ze als een tornado het domein leek te zullen overnemen. Beangstigend. Het mens leek een extra vacht te hebben die druk waaiend alles naast zich weg maaide terwijl ze met denderende voetstappen voorbij hoste, een kind voor zich uit duwend.

Deze imponerende mens ging niet zitten waar haar gevraagd werd te gaan zitten. Ze sprak luid in een vreemde taal, lachte hard en schel en keek uitzinnig uit de ogen als in een dolle drift. Ze sprak duidelijk dure woorden want regelmatig zag ik de andere mensen de ogen neerslaan alsof een reactie hier geen enkele zin had.

Het jong van deze mens – een meisje – zei niks en keek verveeld naar de grond. Er leek een enorme treurigheid rond haar te hangen. Toen het duo eindelijk zat en de moeder wild gebarend iets proclameerde (het ging over de dood en het meisje), leek het kind langzaam te verstenen alsof dit haar natuurlijke toestand was. Hoogst verontrustend !  Alle leven leek uit haar weg te trekken.  Ik vroeg me af of ze niet al aan het dood gaan was. Alleen diep in haar ogen leek nog een lichtje te branden.

Mijn mens stuurde me richting meisje, zodat ik mijn hoofd op haar schoot kon leggen en haar kon verwarmen en plots ontwaakte er iets in de steen, en wel het verlangen om te bewegen. Er was nog iets in het meisje dat haar handen beval zich aan me vast te klemmen. Ik liet me gewillig klemmen maar toen de moeder de warmte en aandacht naast zich zag greep ze me plots en met een bliksemsnelle handgreep bij mijn collier, trok me naar haar toe en dwong mijn kop op haar schoot te leggen.

Ik schrok me de pleuris en zag uit mijn ooghoeken hoe – bij het meisje- het verlangen om te voelen en te ervaren nu ook en terug versteende. Nog even en de steen zou vallen en als de steen eenmaal op de grond lag, zou hij nog verder vallen. Dat kon niet, maar vandaag, ja vandaag kon het toch en opende de grond zich en de steen kon verder vallen. En hij viel. In het meisje doofde de laatste aanwezigheid. En ook ik voelde me verstenen. Gedoofd was haar aanwezigheid de moeder liever. De beklemming van het tafereel sloeg me om het hart.

Steelt wie zich bestolen voelt

Lieve lezers,

Er zijn mensen die bij hoog en bij laag volhouden dat stelen een onfrisse praktijk is die niks met kennis en kunde te maken heeft. Sterker nog het zou een feit zijn dat bestraft moet worden maar de afgelopen weken, sinds het plaatsen van bomen en lichtjes, is er voldoende reden om aan te nemen dat de situatie die tot stelen aanzet zich meerdere keren zal opdringen, en het sportieve karakter ervan weer zal kunnen zegevieren. In al zijn vormen passeren dan goodies, cadeautjes, lekkers.. voorbij onze trillende neuzen. Maar als ze jouw mandje voorbij gaan, zit er niks anders op dan jezelf te bedienen, een kunst die nog steeds verstoken is van de waardering die ze verdient.

Ikzelf heb geleerd terughoudend te zijn op dat vlak maar Titus, die – sinds hij enkele brieven heeft geschreven – vindt dat zijn rechten automatisch zijn toegenomen, en dat het toebedelen van extra’s en bonussen zwaar ondermaats te noemen is, heeft alle scrupules omtrent stelen naast zich neer gelegd. Ook de term stelen, is , samen met de scrupules verdwenen uit zijn terminologie. Hij gebruikt nu de term ‘indoor jagen’. Een kunst en ambacht die samen met ijverige snelheid, en behendigheid soms grenst aan atletische perfectie. Lyrisch wordt hij ervan als hij de strooptochten uit het verleden overdenkt, alsook deze die hij in de toekomst nog gepland heeft staan.

De laatste tijd is er behoorlijk wat beweging en evolutie in onze jachtkunst gekomen. De geleverde inspanningen om de diefstallen te verdoezelen worden stilaan minder. Meer zelfs; de steeds duidelijkere verwachtingen om qua extra legale voordelen niks tekort te komen, lijken ons nu een recht, als het al geen plicht is van elke zichzelf respecterende hond die een twijfelachtig loon krijgt om dag in dag uit te werken, op te letten en te waken.

De twijfel over de goede afloop van een strooptocht verdwijnt uiteindelijk helemaal en maakte plaats voor de zekerheid dat we eindelijk begonnen zijn met het opeisen van onze rechten. Het verhaspelen van stukken chocolade voelt in dat kader als een zoete wraak voor te lang verguisde rechten.

‘Neem voortaan wat je nodig hebt’ sprak Titus laatst heel chique. Het klonk grappig en ook wel ongepast. Daarna kauwde hij met grote bewegingen, verscheurde de verpakking van een pak koekjes, vrat dat alles secuur op en voelde al vretend hoe zijn omvang en macht zouden gaan toenemen.  Godgloeiendheteverdommenis, mompelde hij daarbij en richtte zich verder op de onafzienbare reservoirs van zoetigheid en eetkost. Als werk hond had hij immers geleerd om kastjes open te doen en ieder die hem kent weet welke uitslover hij kan zijn als het aan komt op het demonstreren van zijn bijzondere vaardigheden.

Op een dergelijk moment vormen wij een nachtelijke clan van de zaligheid en het is enkel dank zij mijn grote verstand en het doordachte beleid van mijn acties dat we zelden in de problemen komen. De voorzorgsmaatregel om op de uitkijk te staan hebben we laten varen omdat er ‘s nachts toch geen passage is en het uitwissen van de sporen, van willekeurig uit elkaar gescheurde verpakkingen, is iets waar we stilaan geen aandacht meer voor hebben ( zelfs mijn uitzonderlijke maag- en darmgestel heeft zo zijn beperkingen ).

De wraak van de naakte prooi

Beste lezer,

Als de aandrift tot vechten met zichzelf en met de ander zakt, kan een mens het slagveld overzien. Zo voelt het vaak als de mensen hier toekomen. De koorts dwaalt wat uit de kop en stilaan kunnen de wonden gelikt worden.

Ik meen dat een mens houdt van de strijd. ‘Hij zou er anders toch niet zo hartstochtelijk mee bezig zijn’, merkte Titus hierover laatst op. Kwetsbaar en zonder noemenswaardige wapens , gooit zo’n mens zich in de strijd met zichzelf of met anderen en als het vechten dan nijdig wordt wreekt de mens zich als een naakte prooi, met alle gevolgen van dien.

Wij horen hier vaak over zo’n slagvelden. Over schreeuwend voetvolk – in het hoofd – dat lawaai maakt en schrik aanjaagt. Over aanvallers die ook wel gewond raken en overwinnaars die een verbandje krijgen.

Het gevolg.. uitmuntende mensen sneuvelen, in het lijf maar vooral in het hoofd. Het hoofd begeeft het. Het wordt zo klagelijk en wezenloos dat een hond er stil van wordt. Zoveel is duidelijk.

Maar waar komt de dreiging nu precies vandaan, vraagt en beest zich af ?

‘Nergens. De mens raakt niet opgevoed’, mompelt Titus dan tussen zijn tanden. Het is een zinssnede die hij de laatste maanden regelmatig ten berde brengt, meestal op ongepaste momenten. Als hij hierin helemaal op dreef is geraakt, sluit hij zijn ogen en stelt hij zich het ondenkbare voor ;

Laten wij eens aannemen dat de mensen morgen zouden worden opgenomen door de honden als huismensjes, knuffeltjes ter vermaak van jonge en oude honden, voor de gezelligheid en de warmte om ze met ons mee te nemen in onze manden. En vanuit onze positie als gasthond van deze huismensjes zouden we ze met interesse gaan bekijken, hun gedrag en gewoontes onderzoeken.

Het zou bij zo’n onderzoek al snel duidelijk worden dat er overweldigende sterke krachten aan het werk zijn geweest om het verstand van deze huismensjes aan banden te leggen en in te teugelen.

Het loopt me weer eens over

Beste mens,

Het is ondenkbaar dat een mens ons in de modder van de afgelopen dagen zou vervoegen in de uiterst zinvolle activiteit van het modderrollen gevolgd door het onvermoeibaar verder werken aan projecten onder de grond die tot enige doel hebben onze zelfstandigheid en uiteindelijke hygiëne te bevorderen. Deze techniek is bijzonder gezond en overbekend onder ons dieren. Mijn roedelgenoot Titus, die zeer sjouwerig van aard is op dat vlak en tonnen aarde en modder kan verzetten  teneinde tot een onvergetelijke scrubbing te kunnen komen, houdt er niet alleen een waterdichte vacht maar ook een ongewone lichaamskracht aan over. ‘Het loopt me weer eens over’, is de vrolijke uitdrukking die hij gebruikt als hij na lange tijd weer eens bovengronds komt.

Omwille van dat laatste hoopt hij eerbied en roem te mogen ontvangen van mens en beest. Modder is energie voor hem en hij is inmiddels kampioen geworden in het camoufleren van zijn eigen geur, een kunst onder de dieren.

In zijn geurloos zijn, gebeurt het dat zijn roem hem vooraf gaat en ze hem – om hem toch van dichtbij te leren kennen – willen helpen door mee in de flow van de feeststemming te gaan. Heel vervelend vindt Titus dit , want een dergelijke inmenging zou mogelijks zijn eigen prestatie zichtbaar doen verminderen en dus is dit iets wat hij niet tolereert, deze held van de onderwereld ( dit laatste heeft hij mij onder lichte dwang doen schrijven in ruil voor hapjes van twijfelachtige aard ).

En als deze held ( ?? ) dan uiteindelijk weer bovengronds verschijnt met een impressionante bruin zwarte kleur, zien we een wezen dat knippert met zijn ogen, schitterende lome draaiingen maakt waardoor de gang wel sierlijker moet worden met een blik die de bewonderende blikken van de omstaanders hoopt op te vangen en ogen die een glans van verheugenis krijgen. Dan is er niets wat hem ook maar enigszins verstoort want in hem doemt het geluk op. Volmaakt van vorm en glanzende modder.

Gierende honger, verrek !

Waarde lezer,

Er dient vandaag één en ander gezegd over mijn prangende bezorgdheid rond eten.

Onlangs zag ik op een koude, gure dag een zeer mager mens bij ons. Het lieve kind leek vet en bloed te missen.  Alsof haar lijf toestemming had gekregen om de vloer met haar aan te vegen of was het andersom? Alsof het lijf een lesje moest krijgen. Dat lijfje leek luchtig maar voelde zwaar. Een domper op de lichte luchtigheid.

Het waarom van deze schriele mens was mij niet helemaal duidelijk maar het voelde als een vreemd sfeertje. Door oogspleetjes keek ik aandachtiger naar het meisje. Op dat moment kreeg ik een inzicht. Het gebeurde plots, nadat ik voorzichtig had kunnen snuffelen en een siddering langs haar rug zag gaan; Ik besefte dat de mens ontelbare manieren heeft gevonden om zichzelf te pijnigen.

Deze mens keek triest uit de ogen. Het geknars van haar bewegingen was huiveringwekkend. Iedere ademhaling leek gepaard te gaan met een licht steunen en hijgen.. een dreunen dat eigenlijk geen dreunen was omdat het werd ingehouden, als in, ik moet voortgaan, altijd voort gaan, onafwendbaar tot het laatste leven dit lijf verlaten heeft.

Ik zette mijn poten dus behoedzaam neer rond haar, bang dat dit mensje zou breken, en ik ging liggen om na te denken over een lijf dat een klacht leek te zijn tegen het leven zelf. Als hond is zoiets voor mij onbegrijpelijk. Ik werd in en in triest.

Mateloos, zal de tijd zijn

Beste lezer,

Van wie is de tijd ?

Die vraag stelde ik me een tijdje geleden toen ik langere tijd alleen met mijn vriend Titus ( en vijand Remus ) thuis was. Ik was verzonken in een toestand van gespannen leegte waarin ik alert wegdoezel terwijl ik de boel in de gaten houd. Titus wordt onrustig van dit soort wachten en ligt dan zachtjes te janken alsof de tijd zich daar iets zou van aantrekken.

Je moet weten ; als hond houd ik me nooit bezig met verleden tijd. Ik kijk niet terug en ik kijk niet vooruit. Dat stimuleert de feestvreugde.

Tijd, dat is dan misschien wel ; de zon die ondergaat, het moment dat je etensbak wordt geserveerd en het moment dat mijn werkdag erop zit en ik aan mijn schoonheidsslaapje kan beginnen.

Als er bij ons nieuwe, bij tijden erg onrustige mensen aankomen wacht ik steeds ongeduldig op het moment dat mijn mens zegt : ‘Hier leven wij in dierentijd, niet in mensentijd’. Vervolgens kijk ik gespannen naar de uitdrukking op het gezicht van de mensen, wezens die meestal veel volle en weinig lege tijd lijken te hebben. God mag weten waarom ze alle tijd  vol willen hebben. Misschien zijn ze bang van lege tijd ?  Bovendien gedragen ze zich alsof tijd hen misschien gegund wordt, ze tijd moeten verdienen, zien te winnen of proberen geen tijd te verliezen.

Vreemd ! Tijd lijkt iets onzichtbaar waarvoor gestreden moet worden. Het lijkt wel een geheim verbond met de tijd waaraan de arme mens eeuwige gehoorzaamheid heeft beloofd. Geen hond die daar iets van snapt.

Eenzaam wurmpje, zo’n mensje.

Beste lezer,

Ga nooit met een baby aan de haal, als hond, zo doceerde ik mijn goede vriend Titus, toen hier een poosje geleden een klein mensje werd binnen gewield in een soort fout roze kruiwagentje.

U kent ze wel, die baby’s.. die als prinsjes en prinsesjes geëtaleerd worden waarna elk mens die je dacht toch een beetje te kennen transformeert in een soort kirrend onuitstaanbaar wezen.

Ik verwittigde Titus dus, dat dit wel degelijk een mensje was en dat alles rond zo’n wurmpje be(ge)laden was. Uit de buurt blijven dus en alle charme registers opentrekken zodat je als hond niet helemaal op de achtergrond verdwijnt. Alle ogen zijn nu op het baby’tje gericht.

Nochtans, bij nader inzien, lijkt ontzag hier niet op zijn plaats.

Vooreerst is het wurmpje helemaal alleen , ongetwijfeld eenzaam want alleen op de wereld komen is voor ons honden vrijwel ondenkbaar.  Mijn eigen nest telde 9 pupjes, dat van Titus de volle 11 ! Met zoveel broertjes en zusjes kan je wel wat aanvangen.. maar alleen ??? Dat geeft te denken.

Verder lijkt dit wurmpje niks van betekenis te hebben meegekregen : Zitten kan het niet, lopen al zeker niet en het hoofdje lijkt enkel wat te kunnen wiebelen.. Over de nek wil ik het dan nog niet eens hebben.. Die lijkt van rubber te zijn.

De uitwerpselen liggen in een pakje rond het kind. Ook vreemd. Maar persoonlijk vind ik dat aspect minder afstotelijk.

Er zijn nog meer dingen die twijfel wekken aan de bejubelde aard van het kindje : geen tanden, geen klauwen, geen vacht : een hopeloos geval, een tandeloze made, een kwijlende cocon ( al hoor ik over dat laatste eigenlijk geen opmerkingen te hebben ). Misschien zijn dat dingen die naderhand toch nog in orde komen ?