Beste lezer,
Er is mij destijds gezegd niet zo aan de mens te twijfelen, aldus Nexus, mijn reeds overleden hondenmentor, die – zoals iedereen weet, uitbundige fan was van de volledige mensheid.
Maar kom, de mens is meer dan een viriele zwakkeling, even kortzichtig als edelmoedig, een vat vol tegenstijdigheden, een grote smoel en een dophartje.
Zo bleek weer maar eens enkele dagen geleden.
Soms ruikt een bezoekende mens erg naar macht en zo ééntje kwam hier op bezoek, naar verluid geïnteresseerd in het kopen van één de schapenmeisjes waarbij hij luid mededeelde alles te weten over schapen, dieren in het algemeen en de natuur in zijn totaliteit.
De jongeren – die hem mee zouden ontvangen en rond leiden, hielden al snel een respectabele afstand want hij had ze bij aankomst strak en vreemd aangekeken.
Een te verheven figuur – aldus hijzelf – te belangrijk om zijn kostbare tijd aan kletskoek te verspillen en bijgevolg kwarteldoof. Hij had zichzelf beladen met papieren, naargeestige mappen en lijsten die hij als houvast onder zijn arm gekneld had.
Toch zag hij er ongevaarlijk uit, bedacht ik me maar deze mens rook niet naar pas gevallen regen en dat is altijd reden tot wantrouwen.
Hij banjerde rond, druk zwaaiend met zijn mappen alsof hij op tijd ergens hoorde te zijn.
De buizerd vloog erg hoog boven zijn hoofd en begon daar nu rond te cirkelen. De schapendames waren ver van hem weggewaggeld.. De ooien hielden kun kinderen dicht bij zich weg van alle blaaskakerij want zelfs schapen zijn hier gevoelig voor.
‘Flink, die jongens in de natuur’ gromde hij goedkeurend..
Vervolgens ging het over zoiets als fatsoensnormen en moraal.
Alle honden, ikzelf incluis, waren alvast verveeld gaan liggen.
Mijn mens had het stilaan gehad en wilde gaan afronden.
‘We hebben nog veel te doen’ … , maar de man leek het niet te hebben gehoord. Op de één of andere manier kon hij zichzelf erg goed opfokken.
Maar dan, een sprookjesmoment :
Plots suisde een gigantische kastanje met stekelige bolster recht richting man en boorde zich plomp boven in zijn hoofd. Het klonk indrukwekkend en deugddoend doeltreffend.
Met één langgerekte kreun en een licht zwijmelend greep de man zich nu vast aan de boom – die , de vrolijke wraakzuchtige kwelduivel – de macht nu aan de grond genageld hield.
‘Hij had het kunnen ruiken’, dacht ik, als de kastanjes los hangen, ga je rond en niet onder de boom.
Zucht.
En dan was er stilte.
Iedereen hield de adem in. Hier en daar een gesmoord gegiechel.
Als miserabel middelpunt bleef de man nu zacht vloekend steun zoeken waarbij de boom de wind van voren kreeg.
Een doordrammer in achterwaartse richting.
‘Hij is niet veilig, die boom’, aldus de man.
Trillend en wel meldde Rasmus zich nu duwend bij mijn mens om zo de ontreddering waaraan hij bij dit schouwspel ten prooi was duidelijk te maken. Onbereikbaar én voorzichtig is vaak Rasmus’ motto.
En de man; hij droop af.
Want – en ik ga het niet lamentabel maken maar op rekening van mijn chronische ijdelheid – toch nog het volgende; een dergelijk onsmakelijke mens mag en kan zich voor mij – Titus – nooit veilig weten.
Ha!!
Uw waarschuwende
Titus




