Brieven

De vergankelijkheid van vrijheid

Beste lezer ,

We komen altijd en onder alle omstandigheden toch wel een portie vrijheid te kort, leek de boodschap te zijn van de kat Remus toen hij tijdens een stormnacht verplicht werd binnen te blijven nadat hij dagen de hort was opgeweest.

Ik zelf wil het probleem van vrijheid ook al een tijd gaarne ter sprake brengen, te meer daar we er de laatste tijd erg veel van verliezen. De vroegere feestje in de taluds, die Titus en ik in volle victorie konden vieren, lijken stilaan tot het verleden te behoren. Dat is het resultaat van onberekenbare beslissingen die de mens maakt, waarbij we – met alles wat daar nog van onafgewerkte zaken op ons wacht, voor gek blijven staan wachten op het moment van ‘toestemming’. Geen hond die begrijpt waarom dergelijke hoogtepunten van feestvreugde ons plotseling ontzegd worden. De vrijheid blijkt eens te meer vergankelijk.

De niet zo geheimzinnige drang om onze jachtinstincten levendig te houden, zal me misschien één dezer dagen toch weer te pakken krijgen zodat ik verplicht zal zijn, onverhoeds, en zonder toestemming stiekem alleen op avontuur te gaan.

Waarom de mens alle vrijheid krijgt en wij onder het juk van hun regels moeten leven, is een vraag die bij Titus en mijzelf steeds meer opborrelt, ook nu we zien dat onze huisgenoot, de kater Remus zich van al dat juk geen ene moer aantrekt. Zelf rept hij over vrijheid geen woord. Hij neemt ze gewoon. Met zijn voltallig overlevingsarsenaal en een belachelijk belletje aan zijn nek banjert hij dan rond alsof hij een overvolle agenda naholt.

Een geval op zichzelf

Beste lezer,

We hebben Jack nog nooit met een halsband of leiband gezien. Het wit vuilige kleine buurhondje toont voor geen levend wezen respect. Enige notie lijkt hij te nemen van de gigantische tractor van zijn baas waar hij met ware doodverachting aan bengelt als het gevaarte zich voortbeweegt.  Dat maakt indruk. Jack maakt duidelijk deel uit van het dorp en ieder die hem ziet, gaat respectvol opzij. Zelf gaat hij – principieel nooit opzij. Een eigenzinnig geval op zichzelf dat zich hier ieder dag bij zonsondergang ongevraagd komt binnen wurmen.

Een eenzame avondwandelaar, die ziet wat er uit de dag tevoorschijn is gekomen en hoe alles in het tanende licht langzaam vergrijst. Hij lijkt altijd somber, want kijkend naar de mensen en hun gedoe neemt hij duidelijk aan dat mensen een huidziekte van de aarde zijn en niets meer.  En dat het einde van die ziekte in zicht is, omdat de aarde eraan te gronde gaat, zodat de ziekte moet zien over te slaan op een andere landingsbaan om zich in stand te houden.

Hij is bekend met alle honden en mensen uit de wijde omgeving. Hij weet dat alles wat daar leeft wel eens kijkt naar elkaar, maar niet om gevolgtrekkingen te maken. Misschien zijn er wel schepseltjes die azen op het stoffelijk overschot van zijn prooien en onder hen leven misschien ook wel madegezinden, zoals onze ongenode huisgenoot, de kater Remus, één van de weinigen die geen respect wenst te betonen aan Jack.

In zijn dooie eentje werkt hij licht vermoeid zijn vaste bezoeken in de buurt af.

Waarom heeft hij er zo’n behoefte aan om iedereen te zien, vraag ik me af.

Eén van de jongmensen die hem ziet leunen tegen de omheining vermoedt dat Jack hopeloos eenzaam moet zijn en dat hij zijn verlangen naar een vriend verpest door zo afstandelijk te doen. Hij heeft een punt.

Jack komt, plast en staart en plast en staart, de vrijbuiter en lacht duidelijk met ons ‘brave honden’. Het voelt altijd lullig om tegenover hem te staan.

Alleen dus, altijd alleen.

Onze belangstelling voor hem betekent eigenlijk dat hij nu niet zo veel langer alleen wil blijven, denk ik.  Misschien is zijn queeste het gevolg van een hopeloos verlangen naar goed ruikende vriendschap, warm, geurend, ja zwaar beneveld van geuren die je tegelijkertijd omhoog stoten van verrukking en neertrekken in diepe nieuwsgierigheid. En in zijn wereld, waarin hij zichzelf graag met eigen ogen ziet rennen, is het voor hem misschien net alsof je met tweeën bent.

Ieder is zichzelf het naast

Beste lezer,

Het is niet bevredigend. Dat dacht ik toen een zwarte labrador Abby met zijn baasje ( met even zwarte blik ) zelfgenoegzaam alle ruimte, speeltjes en stokken innam die in de onmiddellijke omgeving van de jongmensen en honden te vinden waren.

‘Schraapzucht’, merkte Titus schamper op en met deze opmerking was de duo-formule, baas – hond tot een bezwering geworden en had men verder rustig kunnen zwijgen ware het niet dat het duo alle lucht uit de ruimte leek te zuigen.

Het uitputtende staren van de hond die klaar leek alles en iedereen aan te vallen, die hem zijn stuf:  – stokjes, lapjes, hapjes… – wou afnemen, was vermoeiend voor ons honden, maar ook voor de aanwezige jongmensen, maar niemand wist goed hoe hij weg kon komen en dus bleef iedereen onbeweeglijk zitten. Mijn mens begon dit duidelijk een nijpende toestand te vinden, dus ze maakte er een eind aan.

‘Doet uw hond weleens aan sport?’ vroeg zij aan de donkere mens.

Vermits dit meestal het sein was voor een agilility competitie met een hond die waarschijnlijk toch ging verliezen, hielden wij dit al jaren voor een zeer geestige en ondeugende vraag. De vraag droeg het kenmerk van onuitvoerbaarheid met zich mee – wat mij betreft.

‘Hij wandelt veel’ stamelde de mens die duidelijk verveeld zat met de vraag.

Is het goed als hij vandaag eens sport, samen met de andere honden?

Abby’s mens keek onzeker. Haar blik dwaalde bezorgd af naar haar hondje dat een vreemd soort kruiperige vriendelijkheid toonde bij haar en duidelijk ieder moment bereid was haar te likken.

Abby voelde dat zijn leven op punt stond te veranderen toen hij naar onze tribune werd geleid om zijn beurt af te wachten voor zijn eerste sportprestatie. Het was de verdienste van één van de jongmensen om Abby eventjes af te leiden van zijn mens-obsessie en zijn ‘stuf’ dat nu onbewaakt was achtergebleven, klaar voor een andere hond om deze te inspecteren.

Abby voelde het enthousiasme van de andere honden en begon van gegrepenheid te kwijlen.

Toen het zijn beurt was en hij samen met Titus het parcours mocht lopen trachtte hij in zijn gevoel van feestvreugde zo hard mogelijk tegen Titus aan te botsen. En toen nog eens en weer een keer opnieuw, maar dit keer heel erg stevig, zodat hij midden op Titus’ buik botste en beiden een erg raar geluid maakten. Er kon geen twijfel bestaan, Abby probeerde te spelen. Titus slikte de frustratie weg en zette zich schrap voor een volgende aanval. Abby kwam nu aanhollen met de woeste allure van een hond die de hele santekraam eens in elkaar zal donderen en dan, als hun haren elkaar raakten, tuimelde Titus over kop, terwijl Abby als een bal wegsprong. Dit alles leek op een vreemde manier heerlijk en de jong mensen zaten ademloos toe te kijken. Maar plots :

Een mens als huisdier

Beste lezer,

Het hondje dat besloten had een mens als huisdier te nemen heette Maxime.

Het schepseltje was klein en zwartig met wilde stugge krulletjes en een licht belachelijk snorretje.

Maxime lag steeds loerend, vol halve gedachten te hijgen terwijl hij zijn baas strak bleef aankijken alsof zij er elk moment van door kon gaan. Maxime kwispelde enkel als er een gegronde reden voor was; een reden die altijd verbonden was met zijn mens. Daarnaast beet Maxime naar alles en iedereen die nog maar naar zijn baasje keek. Hij beet in kuiten, enkels, handen of waar hij maar dacht aan te kunnen kluiven. Omwille van deze laatste gewoonte moest hij bij ons een korfje om zijn bek, zodat hij hier niemand kon gaan kluiven en net om die reden was hij bij ons in regel slecht gezind. Voor Maxime kon iedereen – behalve zijn baasje – verrekken.

‘Dat beest heeft zijn mens als huisdier genomen’, merkte Titus schamper op.

In deze toestand van constante waakzaamheid sliep Maxime zelden. Hij leek geen sociaal leven te ambiëren, geen toekomst of verleden te kennen, alleen het hier-en-nu met zijn baasje dat zich enigszins leek te generen over de situatie.

Volstrekt constructief was hun relatie trouwens ook niet vonden de jongmensen van die dag, want in weerwil van alle ferme duidelijkheid en doortastendheid die ze aan de dag legden om het beest af te leiden, bleef Maxime grommen naar elkeen die hem van zijn waakzaamheid t.o.v. zijn baas trachtte af te leiden.

Het baasje zelf bleef het schepseltje adorerend aankijken, hetgeen het vermoeden bevestigde dat ze wel degelijk zijn huisdier was geworden.

Op de één of andere manier maakte dit beest brei van ons zorgvuldig opgebouwde roedel gewoontes.

Zelfgenoegzaam lapje

Beste lezer,

Zou men het schaap Jane vragen van wie de grond is waarop ze graast, ze zou –  mocht ze al de kans krijgen om te antwoorden – onmiddellijk reageren met ‘van wie er op een deftige manier mee bezig is’. Wie deftig bezig is met zijn landje kan nauwelijks nog bezwaren hebben die verbonden zijn aan het bestaan.

Bij mensen lijkt het er anders aan toe te gaan. Een land lapje komt niet noodzakelijk toe aan wie er deftig gebruik van maakt. Mensen zijn vaak knorrig en verongelijkt tegenover het lapje. Het is net of ze zich benadeeld voelen en ze helemaal niet de plaats ingenomen hebben die hen toekomt.

Er zijn planten en bomen genoeg, aan de zon mankeert niks en de wind gaat niet ruw tekeer en toch hebben ze iets in hun gemenelijk voorkomen dat te denken geeft. Ze snellen over het landje, steeds op weg naar iets dringends, dat ze op het oog hebben en laten dan alles weer achter zich, alsof het land stinkt. En verder hollen ze en laten iets dringends voor wat het is en hup, ze zijn alweer op weg – over het landje – naar iets anders waar ze mogelijks weer even ongedurig toeven, wee van de onrust.

De grond onder onze poten is ons eigenste maatje, alsof het ons eigen vlees en bloed was. Voor de mens lijkt het enkel datgene onder dat zich onder de voeten beweegt.

De aarde ligt daar wel en de hemel staat er inderdaad boven, maar geen van tweeën voldoen ze om de mens te laten stilstaan. Wat er dan wel voor nodig is, weet ik niet; maar dit niet.

In de natuur lijkt de mens verkeerd te zijn binnen gegaan zonder te zien hoe ze dat kunnen herstellen, of hoe ze daarna wel goed terecht kunnen komen. Ik denk dat dat hun ellende is.

Jane, het schaap, houdt haar mening over de aarde verder voor zichzelf. We weten inmiddels wel hoe schapen in het leven staan.

Slikvat

Beste lezer,

Het doet er niet toe wat het is en hoe het zo zurig en giftig is geworden. Het geeft niet hoe lang het er al zit te verzuren van buiten naar binnen en hoe erg het op de maag is gaan liggen. Het maakt niet uit of het glad is, obstakels heeft of veren. Je slikt het in en en zinkt er dan mee. Het is naar binnen gegleden en nu is het binnen.

Binnen.

De zuchtende, steunende en bibberende gedachten die waren ingeslikt bij een jongmens waren niet nieuw. De jongen werd er erg moe van, schichtig ook en erg slapjes. Vervelend en vermoeiend was dit ingedikt sliksel voor hem.

Waar gaat al dat sliksel naartoe vroegen Titus en ik ons af, nadat het vakkundig naar binnen is gewerkt. Volgens Titus hebben mensen een sliksel-vat, dat zich ergens diep binnen ter hoogte van de buik zou bevinden. En elke storende gedachte, kan dan als een soort afscheid van de pijnlijke realiteit in het vat verdwijnen. Eenmaal behept met zo’n vat, loopt zo’n mens dan met een schaduw rond zich rond. Hij loert en wordt schichtig, alsof elke mens en elk beest misschien toch de inhoud van het vat kan ontwaren, alsof de schaduwen net niet genoeg verbergen.

De ranzigheid ontzegd

Beste lezer,

Het is ondenkbaar dat een mens genoegzaam in een moddervijver zou duiken met de niet te weerstane drang om tot in de laatste vezels van zijn naakte lijf ondergedompeld te worden in een rommelig gedrang van smurrie dat als een verdommenis aan hem wil gaan kleven. uit levensvreugde en nergens anders uit.

Honden doen dat wel en om maar eens te beginnen: Een behoorlijk stuk van ons levensgeluk is afkomstig van de omstandigheid dat te doen, gewoon omdat het kan. Vandaag een poging dus om de noodzaak van een dergelijke levensvreugde te duiden voor de mens die dit soort vreugde niet wenst te kennen.

Dit soort gedompel is niet teer en het is niet fijntjes. Het is zalig verschaald en gortig.

En als men dan zo lekker bezig is, raakt men stilaan zo bedwelmd dat men helemaal niet meer in staat is om wat dan ook op te merken, zelfs geen mens.

Wij bewegen dan van binnen en van buiten met alles wat diep in de modder huist. Ik zeg dat er nadrukkelijk bij omdat de mens blijkbaar geen snaren heeft die gaan bewegen met alles wat in de modder beweegt, aldus verstoken van zo’n diep genot.

Een dergelijk onderhoud van lijf en ziel is bij mensen niet verordonneerd. Bij honden is het dat wel!

Het denken niet langer verdekt opgesteld

Beste lezer,

Mensen besloten hier afgelopen week ergens van af te zien. Men kan altijd ergens van afzien. Het is soms zelfs wijs, als het er niet toe doet iets te gaan voelen.

Dat vraagt verduidelijking:

Enkele dagen geleden ontdekten enkele jongmensen een bres in de veilige en vertrouwde muren rond het domein. Eigenlijk was het meer dan een bres, het was een groot gapend gat dat snel was dicht gemaakt met enkele zeilen en waaronder grote holen gaapten die weer uitkwamen in een diepe put waar mensen en dieren konden invallen en verdwijnen.

De jongmensen en de honden stonden stil naar het gat te staren. Eén en ander heeft met veiligheid te maken. Als niemand kan in gaten vallen of kwijt kan raken is alles veilig en kan het regeltje van 3 van kracht worden:

Ook dat vraagt verduidelijking:

  • Wens je leiderschap, dan heb je respect nodig
  • Respect krijg je, maar als je veiligheid, rust en stabiliteit brengt
  • In ruil krijg je dan mogelijks respect dat je elke dag opnieuw zal moeten verdienen

Een aanbod boordevol grof weggeschrokt leven.

Liefste mens,

Ik vond mijn mens en Titus maar wat aanmodderen, toen hier laatste een bibberig mensje-in-nood door het poortje schuifelde.

Ze kwam voor het eerst en alles moet erg spannend voor haar zijn geweest want ze bibberde van binnen zowel als van buiten en loerde naar haar moeders schouder alsof daar steun was uit te halen. Ze bleek op onverklaarbare wijze in staat van alarm en was zenuwachtig zodat ze erg wankel voortbewoog en af en toe nerveus lachte.

Titus moest bij zijn kennismaking weer eens worden gekalmeerd zodat hij het arme kind niet verder zou bruskeren, een aanmaning die hij ernstig nam en het meisje liet zich de aangelijnde Titus overhandigen. Zijn vrolijk gehuppel bleek hier, als een lachwekkende vanzelfsprekendheid te werken. Het meisje kon nu wat rustiger worden al was ze erg snel weer onthutst van een verzameling veertjes op de grond waardoor ze achterdochtig en angstig werd; ook zo van de vogels die haar met – wief, wief, wief – van de vleugelpunten deden opschrikken, en die – zo zei ze – enge geluiden maakten. Elke boom en elk geluid leken voor haar een voorbode van gevaar.

Iedereen vertrok nu voor een korte wandeling op het domein terwijl ik op een geniaal plan kauwde.

Na herhaaldelijke zure opmerkingen over mijn behaagziekelijke natuur de laatste weken, besloot ik met mijn ingenieuze plan mijn naam te zuiveren; alle roddels te ontkrachten om zo, dit huiveringwekkende wezen op een andere dan de gebruikelijke lijfelijke manier te helpen.

Overtuigend glinsterden zijn tanden evenmin.

Beste lezer,

Stoute, maar vooral afwezige luchtballonnen denderden laatst weer maar eens als een onafgebroken stroom aan dramatische invallen in de kop van Titus met belachelijke paniekaanvallen tot gevolg.

Ik probeerde hem duidelijk te maken dat een conflict in de kop, zonder bestaande dreiging, altijd energieverlies betekent, maar hij zei dat het sterker was dan hemzelf.

Mijn luchtballon-argumenten raakten stilaan uitgeput toen afgelopen week plots een verrassende geval plaats vond die mijn betoog kracht bij kon zetten.

Bij tijden hebben we hier een jong mens die zichzelf kan opfokken als redder, slachtoffer of aanklager en dat zo vakkundig snel kan doen dat hij vervolgens zichzelf helemaal verliest in een hysterisch drama dat steevast eindigt met dezelfde ‘het is sterker dan mezelf’.

Zo’n dramapartij deed zich hier voor op de parking, aan de straat (een dergelijke toestand is niet toegestaan binnen onze muren) waarbij het jongmens zichzelf en de anderen plots heel scherp in de gaten houdt en als iemand dan iets zegt dat hem ontstemt, draaft hij plots luid brullend weg achtervolgd door zijn eigen aandrang om ‘fuck you!’ te roepen.