Maand: december 2023

Een mens als huisdier

Beste lezer,

Het hondje dat besloten had een mens als huisdier te nemen heette Maxime.

Het schepseltje was klein en zwartig met wilde stugge krulletjes en een licht belachelijk snorretje.

Maxime lag steeds loerend, vol halve gedachten te hijgen terwijl hij zijn baas strak bleef aankijken alsof zij er elk moment van door kon gaan. Maxime kwispelde enkel als er een gegronde reden voor was; een reden die altijd verbonden was met zijn mens. Daarnaast beet Maxime naar alles en iedereen die nog maar naar zijn baasje keek. Hij beet in kuiten, enkels, handen of waar hij maar dacht aan te kunnen kluiven. Omwille van deze laatste gewoonte moest hij bij ons een korfje om zijn bek, zodat hij hier niemand kon gaan kluiven en net om die reden was hij bij ons in regel slecht gezind. Voor Maxime kon iedereen – behalve zijn baasje – verrekken.

‘Dat beest heeft zijn mens als huisdier genomen’, merkte Titus schamper op.

In deze toestand van constante waakzaamheid sliep Maxime zelden. Hij leek geen sociaal leven te ambiëren, geen toekomst of verleden te kennen, alleen het hier-en-nu met zijn baasje dat zich enigszins leek te generen over de situatie.

Volstrekt constructief was hun relatie trouwens ook niet vonden de jongmensen van die dag, want in weerwil van alle ferme duidelijkheid en doortastendheid die ze aan de dag legden om het beest af te leiden, bleef Maxime grommen naar elkeen die hem van zijn waakzaamheid t.o.v. zijn baas trachtte af te leiden.

Het baasje zelf bleef het schepseltje adorerend aankijken, hetgeen het vermoeden bevestigde dat ze wel degelijk zijn huisdier was geworden.

Op de één of andere manier maakte dit beest brei van ons zorgvuldig opgebouwde roedel gewoontes.

Zelfgenoegzaam lapje

Beste lezer,

Zou men het schaap Jane vragen van wie de grond is waarop ze graast, ze zou –  mocht ze al de kans krijgen om te antwoorden – onmiddellijk reageren met ‘van wie er op een deftige manier mee bezig is’. Wie deftig bezig is met zijn landje kan nauwelijks nog bezwaren hebben die verbonden zijn aan het bestaan.

Bij mensen lijkt het er anders aan toe te gaan. Een land lapje komt niet noodzakelijk toe aan wie er deftig gebruik van maakt. Mensen zijn vaak knorrig en verongelijkt tegenover het lapje. Het is net of ze zich benadeeld voelen en ze helemaal niet de plaats ingenomen hebben die hen toekomt.

Er zijn planten en bomen genoeg, aan de zon mankeert niks en de wind gaat niet ruw tekeer en toch hebben ze iets in hun gemenelijk voorkomen dat te denken geeft. Ze snellen over het landje, steeds op weg naar iets dringends, dat ze op het oog hebben en laten dan alles weer achter zich, alsof het land stinkt. En verder hollen ze en laten iets dringends voor wat het is en hup, ze zijn alweer op weg – over het landje – naar iets anders waar ze mogelijks weer even ongedurig toeven, wee van de onrust.

De grond onder onze poten is ons eigenste maatje, alsof het ons eigen vlees en bloed was. Voor de mens lijkt het enkel datgene onder dat zich onder de voeten beweegt.

De aarde ligt daar wel en de hemel staat er inderdaad boven, maar geen van tweeën voldoen ze om de mens te laten stilstaan. Wat er dan wel voor nodig is, weet ik niet; maar dit niet.

In de natuur lijkt de mens verkeerd te zijn binnen gegaan zonder te zien hoe ze dat kunnen herstellen, of hoe ze daarna wel goed terecht kunnen komen. Ik denk dat dat hun ellende is.

Jane, het schaap, houdt haar mening over de aarde verder voor zichzelf. We weten inmiddels wel hoe schapen in het leven staan.