Beste lezer,
Het hondje dat besloten had een mens als huisdier te nemen heette Maxime.
Het schepseltje was klein en zwartig met wilde stugge krulletjes en een licht belachelijk snorretje.
Maxime lag steeds loerend, vol halve gedachten te hijgen terwijl hij zijn baas strak bleef aankijken alsof zij er elk moment van door kon gaan. Maxime kwispelde enkel als er een gegronde reden voor was; een reden die altijd verbonden was met zijn mens. Daarnaast beet Maxime naar alles en iedereen die nog maar naar zijn baasje keek. Hij beet in kuiten, enkels, handen of waar hij maar dacht aan te kunnen kluiven. Omwille van deze laatste gewoonte moest hij bij ons een korfje om zijn bek, zodat hij hier niemand kon gaan kluiven en net om die reden was hij bij ons in regel slecht gezind. Voor Maxime kon iedereen – behalve zijn baasje – verrekken.
‘Dat beest heeft zijn mens als huisdier genomen’, merkte Titus schamper op.
In deze toestand van constante waakzaamheid sliep Maxime zelden. Hij leek geen sociaal leven te ambiëren, geen toekomst of verleden te kennen, alleen het hier-en-nu met zijn baasje dat zich enigszins leek te generen over de situatie.
Volstrekt constructief was hun relatie trouwens ook niet vonden de jongmensen van die dag, want in weerwil van alle ferme duidelijkheid en doortastendheid die ze aan de dag legden om het beest af te leiden, bleef Maxime grommen naar elkeen die hem van zijn waakzaamheid t.o.v. zijn baas trachtte af te leiden.
Het baasje zelf bleef het schepseltje adorerend aankijken, hetgeen het vermoeden bevestigde dat ze wel degelijk zijn huisdier was geworden.
Op de één of andere manier maakte dit beest brei van ons zorgvuldig opgebouwde roedel gewoontes.


