Beste lezer,
En of ik niet een beetje minder over mezelf kan dreinen, vraagt mijn mens. Alsof ik geen redenen tot dreinen zou hebben. Niet dat ik dusdanig welgezind ben van natuur, maar ik kan het niet helpen de schaduwkant van de wezens rond mij van mij af te schrijven, om maar te zwijgen van mijn eigen ontkende besognes.
Maar dit gaat dus niet over mij, maar over een vreemd fenomeen in de vorm van steeds meer jongmensen die er steeds vaker als versteend bij zitten, wit om de neus. Een moeder of vader die met één oog de jongmens in de gaten houdt en vervolgens voorspeldt met zorgwekkend gezicht : ‘als daar maar weer geen miserie van komt’.
Er is miserie van gekomen, eentje van het dreigende soort; niet door het leven, niet door de regen of de wind, niet door een vijandige invasie van het territorium, niet door gevallen sterren of vuile ziektes, niet door het verliezen van de roedelleider of een goede vriend, … ( tot zover de legitimiteit van de miserie ).
Neen, enkel door één enkele venijnige, gemene gedachte en kijk, de mens wordt badend in zijn zweet van de miserie wakker en weigert de daaropvolgende dagen en nachten ergens anders anders aan te denken waardoor hij zich na enkele dagen vereenzelvigd heeft met de miserie zelf. Een toestand die hij niet meer wenst los te laten.
Oordelend vanuit de kop-enenergie van de mensen , zijn daar het merendeel van de tijd dan ook drama’s aan de gang die minstens de ondergang aankondigen – vooral dan van de denkende mens.
Om de illusie te spijzen dat alles best wel ok, doet zo’n mens er verder het zwijgen toe; een zwijgen met een dreigende ondertoon.
En dan is het zover.
Het drama zit op de troon.
De gedachten hebben zich in opmars gezet, de donderkoppen rukken op, de kop ziet tunnelzwart van het verleden en de toekomst. De ooggordijnen gaan dicht voor het fatale optreden van het drama.
Een passant, een oudere sympathieke beer van een hond Toby, een blok getaande vitaiteit wil er de moed en de vrolijkheid in houden en likt een zwijgend gezicht waar even een ietwat vrolijk geluid uit komt.
Er is een draadje geknapt in de gedachtengang. Dat is het begin, vertel ik Rasmus die maar niet begrijpt waarom zijn ongebreidelde vrolijkheid de stemming niet altijd kan opkrikken.
En als een bundeling van onverschilligheid, een feulleton van misprijzen, een zege van de haat, vecht het hoofd om het drama op de troon te houden. Zo’n mens slijt zijn dagen vervolgens in een sfeer van landerigheid en lamlendigheid.
En dus, elk weldenkend beest weet, het volgeladen hoofd dient op een bepaald moment ook echt uitgeladen te worden want de mens kan toch niet in ernst beweren plezier te hebben in dergelijke sentimentele klappen.
Hij zit gevangen, de mens, die in deze zeer delicate kop-zaak op een onnavolgbare manier klungelt zoals geen ander beest ooit geklungeld heeft.
Nu en dan is er ééntje die weigert te capituleren, zowel voor de barbarij van het hoofd waar de goede en boze geesten huishouden als voor de dicatatuur van het verleden.
Zo iemand is eindelijk meer hond geworden.
Tijd om los te scheuren van alle menselijke kop ellende en de lentezon te aanbidden.
Mijn mens maakt een grote vuur om de verdroogde herinneringen en de resterende stuiptrekkende wensdromen te verbranden.
Uw vrije
Titus




