Beste lezer,
‘Ik versta u, vrees ik niet goed’, hoorde ik mijn mens zeggen na een zinsnede die hier werd uitgesproken naar aanleiding van een jongmens die duidelijke bijtwonden in het gezicht had.
‘Ik heb hem eerst gebeten. In zijn muil!’… ‘Hem’ sloeg op het hondje van het jongmens dat de woorden had uitgesproken. Hij grijnsde er een beetje bij waardoor het geheel een wat fijn wreedjes aanvoelde.
Het werd stil in ons roedeltje. De jongmensen staarden hem vertwijfeld aan en de honden voelden dat er spanning in de lucht hing.
De jong mens had de pest in gehad en dat ene hondje was hem ook reeds lang aan het ergeren en dat maakte hem op dat moment gemelijk. Het roofdier had nu zijn gekoesterde prooi te pakken. Hij was vals gestemd en was tierig geworden.
Ik kreeg er een kil en kaal gevoel van in mijn lippen, als ik bedacht dat een mens hier zijn tanden in zou zetten… magere tandjes weliswaar, maar toch.
Altijd als deze jongmens dergelijke zaken vertelde, keek hij daarbij een weinig omhoog en opzij, alsof het hem eigenlijk niet aanging en of hem per ongeluk iets was overkomen, alsof onschuld toch eigenlijk het leven pas de moeite maakt.



