Voorgoed ontluisterd

Uitgeruste lezer,

Met de zomer, zijn veel plensbuien en de zwoele temperaturen komen, voor ons honden, steeds regelmatiger kwaaltjes en gevoeligheden waar je als beest dan je ding mee doet.

Maar als je mens dat kwaaltje, met die welbepaalde schuine blik aankijkt, weet je als hond dat het einde van de rust en de waardigheid nabij is.

Het drama begint met ‘Laat es kijken’, daarna een bezorgde blik, rusteloos rondkijken naar zaken die mijn waardigheid zullen gaan aantasten, hetzij door het binnenbrengen van ongewenste entiteiten, lees vieze brokken, het zij door ongewilde intimiteiten waarbij je – al dan niet via gruwel dingetjes – wordt benaderd en stukken vacht kwijt speelt – Een reële bedreiging sinds mijn mens vachten draait op een ronddraaiend wiel en hier dus geen beest zijn vacht nog zeker is.

Ook al weet ik dat het me niet gaat lukken, toch probeer ik me zo snel mogelijk uit de voeten te maken en dring ik naar de deur. Vervolgens een klassiek scenario:

Ik wacht af of ze me vieze brokjes willen laten slikken of dat ze – erger nog – me zullen gaan onteren door vacht weg te nemen. Ik zeg u; Het is tegennatuurlijk om op een dergelijke manier een ander levend wezen te benaderen.

Hoe dan ook is het oorlog – ééntje die ik zelf niet ben begonnen! – De demonen zijn ontketend.

Een verlegen jong mens zit er rusteloos naar te kijken tot hij gevraagd wordt te helpen.

Plechtig gestemd

Beste lezer,

De zomer is een periode waarin vanalles te beginnen is, doch waarin men alles evenzo wel na kan laten. Maar om te verhinderen dat deze regenzomer een wezenloze herinnering zou worden werden hier een aantal wonderlijke transformaties aangebracht die het vakantiegevoel in een uitbundige stroomversnelling brachten.

Ons hol werd niet langer ons bunker-hol, maar werd een onvergetelijk avonturen parcours.

  • Door de tunnel, op de alpen, over de alpen ( ?!) , door de rotsen, naar de wellness, door de kloof, vliegend over de afgrond ( ???) , om uiteindelijk ingebakerd in een nest het applaus vanuit de tribunes in ontvangst te nemen ( én de daarbij horende prijzen ).

Geen enkele wereld is groter dan voor wie hij bestaat en dus zijn we snel rond met deze reis. Maar het parcours dient te worden geoefend – één hond en één mens als team, steeds sneller en vaardiger tot het punt dat we bliksemsnel en zigzaggend van het begin- naar het eindpunt vliegen. Zoiets maakt de mensen blij. Ze roepen, lachen en slaan rood aan in het gezicht dat van trots begint te glimmen.

Sommige honden deelnemers hebben zo hun twijfels over een evenement dat hen volkomen onbekend is. ‘Je zou nog wel eens..’ denkt zo’n hond dan bezorgd en daarmee erkent hij dat dat er mogelijk dingen zijn aan dit rond hossen dat niet goed kan aflopen.

Anderen storten zich zonder denken of voelen in-onder-of over de pitstops, een enkele keer zo onbezonnen dat ze scheef tussen de hindernissen door komen te hangen en er niet eens zo makkelijk weer uitkomen.

Futiele en nutteloze overwegingen

Relaxerende lezer,

Nu er eventjes geen jongmensen aanwezig zijn, kukelen we hier met zijn allen vrolijk in de echte ongeëvenaarde dierentijd. En in deze modus neem ik U graag mee in dit vacuüm waar tijd en ruimte verdwijnen:

Titus heeft aangepapt met een egel. Na samen vele uren te hebben doorgebracht zij aan zij, lijkt hij immens gehecht te zijn geworden aan het beestje. Als achtergrondinformatie dient hier vermeld dat Titus ooit door de jongmensen voor het tribunaal onder de kastanjeboom is gebracht voor het lastig vallen van jonge egels. Het geval resulteerde in een leerstraf, uitgesproken door een jongere die het nuanceren van de advocaat (een andere jongere) gezwind naast zich neerlegde toen hij deze sanctie uitsprak. Titus denkt dus wel twee keer na alvorens nog een egel lastig te vallen. Maar naast elkaar liggen kan nog wel, lonkend vanuit de ooghoeken en bij de geringste beweging rustig mee schuifelen. Men kan bij deze zomeractiviteit aan allerlei dingen denken. Niet dat het vaak gedaan wordt, want denken leidt licht tot doezelen en dat is ongeschikt als nevenactiviteit, want ongemerkt verzuimt men dan even de opmerkzaamheid waarna een lichte opschudding in de kop omdat het nu zaak is om na te gaan waar het nu eigenlijk over ging: dat denken. Het is daarom toch een bezigheid die enige aandacht vergt. Al is het natuurlijk helemaal niet erg als men eens helemaal wegsuft, zeker niet vanuit het oogpunt van de egel. In ieder geval is het snellere tempo van de werkweken helemaal verdwenen en zijn alle overpeinzingen eerder futiel en nutteloos.

Het zachte velletje van bezit

Opgewarmde lezer,

Een fragiel, kirrende vrouw-mens, deel van een grotere roedel mensen die hier een dagje kwamen helpen, gaf te kennen, mij en Titus superschattig te vinden.

Schattig was wat ze gebruikte om alles te benoemen dat poten of een vacht had. Van dergelijke mensen verwacht je als hond veel ijverig aaiwerk, doezelige blikken en nu en dan iets lekkers. Het zou een mooie dag gaan worden en om mijn dankbaarheid vorm te geven besloot ik haar een gift te doen in de vorm van een klein, donzig konijntje, nog niet zo lang uit het nest, vrolijk spartelend in mijn bek.

Ik ben een groot liefhebber van dit soort kermis buit terwijl we samen op de grens van leven en dood een klein feestje houden, want in deze zone siddert het belang van wat geweest is en wat komen gaat. Het beestje kreunde in mijn bek waardoor ik extra stoer overkwam.

Echter..

Het kirrend vrouwtje liet alles vallen wat ze in haar handen had, keek me met afschuw en afgrijzen aan en snelde naar me toe om me het beestje af te nemen. Ze beefde als ze het inmiddels nat bekwijlde konijn in haar armen nam terwijl ze me vernietigend aankeek…

‘Zoooo schattig !!’  Gedreven door gevoelens van bescherming, fluisterde ze vervolgens iets zachtjes in het oor van het beestje dat trillend het grote gezicht van een mens roofdier op zich af zag komen. Hij ging van het ene roofdier naar de poten van een ander. En die gedachte beefde, net zo als zijn rillend lijfje… Ja, zo gaat het met ons, zo gaat het, zo is het vastgesteld. Hij hield zich alvast dood.

Een beledigend tekort aan opwinding

Liefste lezer,

Het prille mensenjong dat telkens overheerlijk lekkers meebracht voor iedereen, was erg alleen, maar hij was niet warm van het leven.  Rond hem hing een zweem van koningschap op een zelfgebouwde troon, goedmoedig op ons neerkijkend, gul rondstrooiend met goodies voor mens en dier. Hij bracht het lekkerste mee dat hierbuiten te krijgen is en zou zo onze eeuwige trouw en waardering verzekeren.

Hij moest duidelijk gespaard worden, zo werd gezegd… Gespaard van de (plotse) wendingen van het leven, gespaard van elke inspanning die hem mogelijkst zou gaan vermoeien en gespaard van elke ervaring die hem uit zijn evenwicht kon brengen. Zijn evenwicht was de troon en de dienaars die er rond hingen. Het lekkers dat hij meebracht was ons aas, zodat ook wij zijn dienaars zouden gaan worden. De grote doos koeken voor de mensenjongen moesten hem van vrienden verzekeren.

Hij was vermaard om zijn luiheid, maar ook omdat er altijd iets bijzonders met hem aan de hand was.

Deze mensenpup had het duidelijk voor elkaar…

Maar vorige week kwam hij enigszins tot een vaag besef van de ware aard van zijn leven en zijn omstandigheden, toen hij niet langer goodies mee mocht brengen van mijn mens.

Hij kwam boos toe en zat beduusd op zijn troon. Maar er moest die dag hout verzameld worden voor de winter en dus begaven we ons met alle honden, mensen en wielwagentjes, op het domein om houtstukken te apporteren en weg te voeren.

Het troonkind leek nu in aanraking te komen met een geval die zijn gehele orde op haar grondvesten deed trillen. Met zijn ziel onder zijn arme slenterde hij mee. Hij voelde zich duidelijk slachtoffer van de situatie.

‘Ik kan dat niet’ was de eerste reële uitspraak. Hij wachtte, tot er dienaars zouden verschijnen, maar toen die niet kwamen zei hij: ‘Daar zal je spijt van krijgen. Als mijn moeder hier van hoort!!’

Zoetsappig is de vlucht

Opgewarmde lezer,

Omdat hij iedere boom en konijnenhol zo goed kent, en het er zo allemachtig veel zijn, lijkt het voor Titus doorgaans dat hij in een omvangrijk woud leeft. Bovendien leert hij ieder hoekje en ieder beestje steeds beter kennen omdat hij er zo vaak langs komt en op die manier zou de tevredenheid over de verscheidenheid moeten groeien.

Maar toen hij afgelopen week niet op appel was voor het ochtendeten en hij officieel zoek was leek zijn tevredenheid zich in een andere regio af te spelen.

Na wat roepen hoorden we hem zielig janken en een magistrale rol vertolken terwijl hij – hoofd gebogen – ogenschijnlijk lam van de zenuwen op de begraafplaats zat te wachten om opgehaald te worden. Hoe hij aan de overkant was gekomen was een raadsel daar een snelle inspectie van de omheining geen onregelmatigheden vertoonde.

Al snel werden we een geur van koeienvlaaien gewaar die als een mist rond Titus hing. Gesnapt, betrapt!

Samen met een jongmens, die ook al eens graag de benen neemt, probeerden we een reconstructie van de feiten te maken.

In de draadomheining vonden we uiteindelijk een vakkundig gebeten gat, net groot genoeg voor Titus. Vanaf dit gat was maar één richting, namelijk die richting de koeien en hun vlaaien en dus de weg van de zoetsappige vlucht, het grote jaarlijkse genoegen van Titus onder het vrolijke motto:’Ik schuifel heel lief rond, mijn enige spoor is stront’.

Men kan hem al een enigermate losgeslagen figuur noemen want hij had zijn besluit om zijn terrein te verlaten reeds een tijd geleden gemaakt.

De gebeten hond

Beste lezer,

‘Ik versta u, vrees ik niet goed’, hoorde ik mijn mens zeggen na een zinsnede die hier werd uitgesproken naar aanleiding van een jongmens die duidelijke bijtwonden in het gezicht had.

‘Ik heb hem eerst gebeten. In zijn muil!’… ‘Hem’ sloeg op het hondje van het jongmens dat de woorden had uitgesproken. Hij grijnsde er een beetje bij waardoor het geheel een wat fijn wreedjes aanvoelde.

Het werd stil in ons roedeltje. De jongmensen staarden hem vertwijfeld aan en de honden voelden dat er spanning in de lucht hing.

De jong mens had de pest in gehad en dat ene hondje was hem ook reeds lang aan het ergeren en dat maakte hem op dat moment gemelijk. Het roofdier had nu zijn gekoesterde prooi te pakken. Hij was vals gestemd en was tierig geworden.

Ik kreeg er een kil en kaal gevoel van in mijn lippen, als ik bedacht dat een mens hier zijn tanden in zou zetten… magere tandjes weliswaar, maar toch.

Altijd als deze jongmens dergelijke zaken vertelde, keek hij daarbij een weinig omhoog en opzij, alsof het hem eigenlijk niet aanging en of hem per ongeluk iets was overkomen, alsof onschuld toch eigenlijk het leven pas de moeite maakt.

Wie de dood poogt om te praten, graaft zich vanzelf naar binnen.

Gewaardeerde lezer,

Een drama van enkele dagen geleden: Een schapenmoeder met een zeer redderige natuur krijgt een paniekaanval. Het betreft hier een erg groot en zenuwachtig beest dat haar drama in het leven al had gehad met een tweeling die gebrekkig was geboren en die ze hardhandig en zonder een greintje mededogen had afgestaan voor adoptie.

Ook dit jaar heeft ze een gebrekkig beestje ter wereld gebracht waarvan de natuur niet zeker meer wist hoe de bouwtekening er had moeten uitzien. Het beest heeft 2 slepende achterpootjes, lijkt wat simpel in het leven te staan en wordt de eerste dagen door mijn mens geholpen om te kunnen drinken. Het wezentje getuigt van een welhaast zondige overmoed om te blijven leven want het lijkt met zijn misvormde gestalte de ideale snack voor een passerende vos volgens een plaatselijk gezegde ‘Lammetjes die niet flink stappen zijn hapjes voor de vos’ of ook nog, ‘Vossen, buizerds en fretten, hoeven het leven niet altijd te beletten’.

Ze weet dus waarover ze het heeft als ze beseft dat ze haar lam kwijt is geraakt op het domein en ze, als reactie op het doodsgevaar in paniek staat te brullen.

Mijn mens en ik horen het alarm signaal en gaan gedreven door gevoelens van bescherming en – als een snel en natuurlijk verzet tegen doodgaan – zoeken.

Na het uitkammen van verschillende taluds, hoeken en kanten, het angstig afspeuren van de opgezwollen beekjes horen we plots gemekker opstijgen van onder de grond, in een talud.

De slaptitude van het getal

Waarde lezer,

Nadat de stilte van een aantal nachten erover heen is gegaan, kan ik over de stad schrijven, met zijn grote schaduw, die soms tot aan de ziel raakt, tenminste, als de zon niet hoog aan de hemel staat.

Laatst moesten de jongmensen hier één van de honden in de stad, door de wekelijkse markt leiden. Het hondje had de naam onzeker te zijn tussen een mensengroep, maar het had ook veel stress bij ongekende passerende honden. We hadden aldus een missie.

En dus vertrokken we met z’n allen, met een duidelijke opdracht, naar de grote stad. Een vreemde plaats met vele mensen hokken, die allemaal tegen elkaar geperst staan. Een plaats met een overdaad aan prikkels én met veel gevaar en rollende tuigen die uit het niks op je aan kunnen botsen.

Terwijl we het beestje flankeren, samen met de jongmensen, om het steun en kracht te geven, en we het samen benauwd krijgen tussen dichte mensentroepjes, kijken Titus en ik naar de vele mensen hokken. En weer begrijp ik er niks van. Waarom zijn ze met zoveel ??

Het lijkt een kwekerij van mensen, denkelijk, een aanplant. In het geheel van het landschap zie je enkel hokken en weinig ruimte om te spelen, te rennen en te jagen. Enkel hoge hokken, op elkaar geplakt.

De grote van het getal, lijkt een slaptitude van rust teweeg te brengen. Overal voel ik spanning,

Elk beest doet normaal goed gerichte pogingen om hier weg te komen, maar ik heb hier een missie en dus moet ik toegeven aan het feit dat ik omsingeld ben door het getal. Als hond word je onvermijdelijk schichtig in een dergelijke situatie (dat zie ik trouwens ook aan de jongmensen) alsof je elk moment iets kan doen dat tegen de regels ingaat.

In de natuur zijn er zaken die de grootte van je roedel bepalen: De kracht en snelheid van het prooidier (als die groot is, heb je een grotere groep nodig om te kunnen jagen) en de dreiging van andere roofdieren die een grote verdedigingstroep noodzakelijk maken.

Moeder is van wolkenbier. Laat moedertje maar sullen

Beste lezer,

Als mijn mens beestige gedachten tracht te hebben loopt het in regel mis. En afgelopen week voelde ik het al uren aankomen, dat mislopen.

Aan het zenuwachtig over en weer lopen van en naar de schapenstal kon ik afleiden dat er weer eens iets loos was met één van de schapenmoeders die haar kind niet (h)kende. Nu gaan schapen in regel niet gebukt onder hun probleemoplossend vermogen, maar er is altijd wel een valabele reden waarom zo’n schaap haar kind niet wil hebben maar mijn mens is blijkbaar nog niet beestig genoeg om dat te snappen.

Het ontredderde moederschaap bleek een jong pubertje te zijn dat het lam verweesd had achtergelaten als een ballast die je gelukkig hebt kunnen afgooien waarna ze zich terug bij haar vriendinnen kon voegen. Moeder was van wolkenbier. Laat moedertje maar sullen. Hier was dus assistentie nodig om het hoopje ‘ballast’ een nieuwe bestemming te geven. Dat vonden ook de jongmensen die het tafereeltje stonden te becommentariëren.

Maar als ik even later mijn mens met ijver en toewijding naar de stal zag klossen met papfles en handdoeken wist ik wat er stond te gebeuren.  En inderdaad, luttele tijd later verscheen ze met een lam in haar armen dat ze koesterend binnen brengt. Waarschijnlijk vond ze dit weer een nobele daad, een gedachte die het tafereeltje iets heldhaftigs gaf ook al weet elk beest dat het foute boel is.

In de natuur is de moeder de norm van wat er verder met het jong gaat gebeuren, niet een ander dier en al zeker niet de mens. ( geiten durven zich hier nog al eens tussen te werpen om één of ander jong te redden en in dat kader staan ze dus verdacht dicht tegen de mens).

Enfn.. De mens stelt de wetten en de regels. Ik heb het nooit anders gezien zodat je wel zou denken dat dit de gewone gang van zaken is, maar als Titus en ik onze mens met het lam naar huis zagen komen beseften we weer dat dit niet de normale gang van zaken is, maar dat de mens niet meer in staat is tot beestigheid.