Beste lezer,
Er zit een lek in de herfst, denk ik, waar ik na het opdrogend genot van dagelijkse modderbaden, kwijlnatte beesten beklaag die zich de activiteit hebben aangemeten om van dooie, lusteloze hondenlijven weer vruchtbare wezens te maken…
Neem nu de dek-ram.
Zijn territorium is overbevolkt met dolle minnaressen, een groepje beproefde en uitverkoren schapen, en dus kan hij zich niet permitteren het vuur in zijn kleine lijf ook maar eventjes te laten doven. Na elke flemende inspanning is het een beetje sterven en weer geboren worden, steeds de cool bewaren… Deze week richt hij zich apart en tot elkeen vanachter een onbeschaamde vrijpostigheid.
Arm beest, wacht maar als hij na dit feestje de volle leegte moet zien te verdragen.
Maar intussentijd, wat een sleur, de dagelijkse drang om te moeten dekken, het dagelijks gedonder wat voorafgaat en volgt om je taak met koortsige blik te moeten volbrengen. Terwijl ik nog zo gelukkig ben dat ik mijn eigen boontjes mag doppen, zelf bepaal wie in mijn mand kan liggen, mijn botten niet moet delen, maar ze in een donkere hoek kan bewaren waar ze naar hartelust kunnen doorschimmelen…
‘Ik mag van geluk spreken, maar geluk is ook een kwaliteit’, beste dek-ram. Geluk is ‘s morgens vroeg je blaas legen, om de dauwdruppels als mussen weg te plassen, gluren naar links en rechts, geen mol te bekennen, alles openen en wateren…










