Beste lezer,
Er zit een lek in de herfst, denk ik, waar ik na het opdrogend genot van dagelijkse modderbaden, kwijlnatte beesten beklaag die zich de activiteit hebben aangemeten om van dooie, lusteloze hondenlijven weer vruchtbare wezens te maken…
Neem nu de dek-ram.
Zijn territorium is overbevolkt met dolle minnaressen, een groepje beproefde en uitverkoren schapen, en dus kan hij zich niet permitteren het vuur in zijn kleine lijf ook maar eventjes te laten doven. Na elke flemende inspanning is het een beetje sterven en weer geboren worden, steeds de cool bewaren… Deze week richt hij zich apart en tot elkeen vanachter een onbeschaamde vrijpostigheid.
Arm beest, wacht maar als hij na dit feestje de volle leegte moet zien te verdragen.
Maar intussentijd, wat een sleur, de dagelijkse drang om te moeten dekken, het dagelijks gedonder wat voorafgaat en volgt om je taak met koortsige blik te moeten volbrengen. Terwijl ik nog zo gelukkig ben dat ik mijn eigen boontjes mag doppen, zelf bepaal wie in mijn mand kan liggen, mijn botten niet moet delen, maar ze in een donkere hoek kan bewaren waar ze naar hartelust kunnen doorschimmelen…
‘Ik mag van geluk spreken, maar geluk is ook een kwaliteit’, beste dek-ram. Geluk is ‘s morgens vroeg je blaas legen, om de dauwdruppels als mussen weg te plassen, gluren naar links en rechts, geen mol te bekennen, alles openen en wateren…
Ook Rasmus wenst de aangevatte verkenningstocht van het dekken verder te voltrekken en er zich in te bekwamen, zeker nu zijn vaste teef besloten heeft om hem zelf te gaan dekken.
Raakt u niet in paniek van dergelijke taferelen.
Ikzelf zal er geen poot naar uitsteken om ze op andere gedachten te brengen; het is zo al treurig genoeg. De jongeren doen nog wel een poging om één en ander te corrigeren, maar het haalt niks uit.
In een poging terug in een respectabele positie te komen, bedient Rasmus zich regelmatig van een voorzichtige kniestoot; de teef wankelt, de takken die ze samen verzameld hebben rollen door hun mand en in een belachelijke omstrengeling worden ze vervolgens tegen de muur gesmakt. Om hun cool te redden, rollen ze zich hierna in elkaar als poezen met de kin tussen elkanders poten.
Pff..
Mijn stemming is grondig bedorven na een dergelijk spektakel.
De mensen kijken genegeerd weg. Ik voel me krimpen als leermeester, onderschep nog net mijn ziel onder mijn poten en krijg hem weer op zijn plaats, naast mijn goesting om te vreten.
De vlam van de vroege winterherfst is koud, en nog kouder misschien mijn lege maag. Ik voel de druk van de grijze dag op me wegen. Dat zijn dagen waarvoor je op je hoede moet zijn, want deze dagen zijn als verraderlijke kippenbotjes die je lelijk te grazen kunnen nemen.
Maar als de barre kou ons overvalt, zal ik geen energie zijn verloren en in prima lichamelijke gesteldheid verkeren om de jaarlijkse strooptochten van de donkere dagen aan te vatten, want als de lichtjesboom in huis wordt gesleept, starten de voorbereidingen voor keuken-strooptochten om tralalie en tralala het feestvarken in de snuit te zien en het afgelijnde buikje weer tot wasdom te brengen.
En met ruwe scherts voel ik mijn stemming groeien.
Uw jonge wolf op marsepeinen konijnen loerende…
Titus




