Beste lezer,
Het vege lijf als aanhangsel mee moeten zeulen tegen wil en dank, omdat men zonder omhulsel niet van conceptuele betekenis kan zijn, kan als een doorn in het harmonische vlees gaan gelden, zo bleek hier een tijd geleden.
Je hangt er aan vast, terwijl het op onvoorspelbare wijze evolueert, tegenwerkt, last geeft, knarst en piept zonder aanwijsbare reden, en algemeen je eigen authentieke zelve verraadt.
Dat dacht ik toen de najaarsregen ons hier naar binnen dreef terwijl we ons zwaar van de zomergeneugten met een trage plechtige tred voortbewogen. De extra zomerkilo’s doen mijn vlees stralen onder de pracht van mijn vacht. Ze doen mijn poten dieper in het zand zakken bij het wandelen, ze zorgen ervoor dat ik waardig ga schrijden eerder dan lopen. Ik hoor takjes onder mijn poten kraken die voorheen enkel piepten of makkelijk bogen. Een kwestie van ’embarras du choix’
Ook voor enkele jongmensen lijkt de zomer zeer gul te zijn geweest in termen van investering in lichamelijk omvang. Ook zij lijken te promoten: Magere en tanige lijven zijn ongeschikt voor een positie van respect in de groep.
We proberen het mijn mens al lang duidelijk te maken: Verlaat men de goed opgebouwde contouren van het eigen lijf door te gaan beknotten in eten, dan sluit men zichzelve buiten op een manier die weinig eervol is. Ze begrijpt het niet of ze wil het niet begrijpen.
Ook Rasmus hoopt zich bij onze lijvige club te mogen vervoegen, maar hoe groot hij ook is, hij blijft in staat om in weerwil van zijn massieve structuur uiterst snelle wendingen te maken.
Zo niet wij.
Men ziet hem verder zijn gewicht niet aan omdat de uitdrukking van zijn kop zo sterk is. Hij heeft iets meligs in de ogen, dat maakt dat men voornamelijk naar de wijze waarop hij kijkt, schouwt, en niet naar de omvang van zijn gedaante.
Zo niet bij ons.










