Maand: maart 2024

(Te) wee

Beste lezer,

‘Is hij te wee?’ lijken de mensen zich af te vragen sinds Nexus’ dood, terwijl ze me schuin aankijken.

Het interesseert me niet echt. Dat niet speciaal overigens. Er is weinig wat me kan boeien, zelfs de eeuwige roem en prestaties niet, hoewel ik door vol te houden volharding heb getoond de voorbije tijd, hetgeen toch ook iets waard is.

Even voor de duidelijkheid. Ik doe niks voor mens of hond omdat het moet, of omdat het hoort of deel is van mijn takenpakket, door een mens samengesteld zonder mij te raadplegen. Werk dat ik wel moet volbrengen, gezien het weigeren niet lijkt te kunnen. Ook wel omdat ik in de verschrikkelijke positie verkeer geen kracht meer te hebben om het besluit te nemen ermee op te houden, ja zelfs in mijn verdorde hersens die mogelijkheid niet eens opkomt.

Volhouden in het werk dus. Want het verteren van Nexus’ afwezigheid gaat zo langzaam als groeien… Tergend langzaam.  Zijn oneindige laatste waarheid constant op de achtergrond, luidkeels in de stilte van de eerste lentezon.

Terzelfdertijd blijkt de dood hier een obstakel te zijn in een lange rij van obstakels. Vele schaduwen lijken mijn mens en ons jongmensen en beesten van dit territorium weg te drijven, de duwen… steeds ruwer en steeds agressiever. Geen hond die dit snapt. Soit.

Ik ben niet Nexus. Ik moet niks. Ik durf volmondig neen zeggen. Laat me ongemoeid als ik er geen zin in heb. Er is warmte binnenin en er komt warmte van buiten.

Doodstil

Beste lezer,

Alles jullie dit lezen ben ik er niet meer. Ik heb enkele dagen geleden de grote oversteek gemaakt, de dodenbrug over.

Ik schrijf jullie een laatste brief op de laatste dag van mijn leven. Een korte brief omdat ik erg ziek ben en nog maar enkele uren te leven heb. Graag was ik het domein opgestapt om diep onder de grond rustig te verdwijnen, alleen, wel te verstaan, zonder alle geladenheid rond mij, zonder alle verdrietjes met die hier met hun lichtblauwe vleugels en zware lijven beginnen rond te vliegen. Straks zijn die met zo veel, dat hun trieste gefladder een gloed wordt over het domein en dat hun gefladder aan onstuimigheid doet denken die moed oproept mij los te laten en verder te gaan.

Maar het lijf is verteerd van wonden en het is op.  Zo erbarmelijk ben ik er aan toe dat ik niet meer kan eten en erbarmelijk zijn ze er aan toe, mijn mens en Titus.

Mijn leven was vol en goed… Ik kreeg sturing en wist waar ik aan toe was; kreeg duidelijke taken, ik mocht jongmensen bijstaan, jagen, een pup opvoeden, knuffelen, met konijnen rondhossen, troosten, de show stelen, piekedieven, in een film meespelen, leermeester zijn, bemiddelaar, heler…

Maar ‘s avonds, als alles weer rustig was geworden, kwam ik samen met Titus thuis, tussen de bomen, in de beek en onder de aarde; en daar onder de grond, in het donker speelde zich mijn, onze echte wereld af, los van de mensen, omringd door de geur van aarde en rottende planten werd mijn ziel gelukkig.