Beste lezer,
Eerst het goede nieuws. Op het eind van de zomer, lijken de vreemde gedragingen van de mens stilaan weer normaal te worden. We hebben het weer achter de kiezen, de beladen en omkranste manieren om ‘uit te rusten’.
Staat de zon hoog, dan is het voor honden heel gewoontjes, rusttijd, schaduwtijd, dikke konijnen tijd… Herademen, heropleven.
Stress, spanning, hoe bedoelt u?
Zo niet de mens, die zichzelf en ons mee sleept op uitstappen, autoritten, feestjes waar van alles is te doen, behalve rusten. Een beestige nachtmerrie.
Even denk je dat de rust gegund is. Tant pis. Daar gaat ze weer met ons de zomerhort op in een vreemde uitgelaten stemming. Als het rugzakje van zolder wordt gehaald, weet je het wel, en vrolijk worden we langs bos en hei geleid en samen eten we dan chesterkaas met aardbeien (??!).
Met het prachtige weer zou elk weldenkend beest een broeierige auto ontvluchten, maar onder dubbelzinnige voorwendselen ben je er toch weer ingelokt tot je broeierige ogen schimmen zien schommelen van voorbijrazende dieren die wel thuis mochten blijven.
En huppa, naar zee maar weer, want mijn mens heeft nu niet langer een boodschap aan het heuvelachtig weidelandschap. Op de kont van een koe kan zelfs een mens uitgekeken raken.
Op het strand ontmoet ik een Hollandse teef die mij straal voorbij zweeft om met Rasmus te flikflooien. De kleine jankt een octaaf te hoog en verliest alle tijd en ruimte door de schaamteloze bereidwilligheid van de teef.
Voor altijd, voor altijd.. voor altijd, zo lang als dat duurt… lijkt deze zomerliefde voorbij te flitsen.
De kleine bespeelt de eeuwigheid als een rekbare kousenband!
Voor mij weerom geen teef deze zomer. Het resultaat is een enorme sentimentele klap frontaal tegen mijn hart. Even niet uitgekeken en bam, het kwam hard aan. Half groggy ben ik dan richting open zee uitgeweken, denkend dat verandering zou werken. Op weg naar een zomerse zenuwinstorting, laat ik mij weer naar huis brengen om daar mijn depressie met zacht gestreel in mijn mand te slapen te leggen.
De zomer, door een mens opgevuld, is niet van aard om mijn stemming op te krikken…
Uiteindelijk wordt het zo droog en warm dat zelfs de kraaien uitgedroogd van hun takken vallen…
Stilaan loopt de zomer dan eindelijk op zijn einde. Het weer wordt lief, niet heet maar lekker windstrelend, tijd om het idiote gehos te staken en over te gaan tot de orde van de dag, geheel volgens de overeenkomst die wij met onze mens hebben en probeer nu weer niet tegen dat voornemen uit te vallen want de overeenkomst is getekend, reeds héééél lang geleden.
Uw onvoldoende gekoelde
Titus




