Brieven

Verdriet, dat mag je niet gemist hebben in het leven.

Beste lezer,

Gezien geen levende ziel mij een nieuwjaarsbrief geschreven heeft, schrijf ik vandaag aan het begin van het nieuwe seizoen een brief aan mezelf. Dat werd de hoogste tijd gezien het brievenschrijven meestal één richtingsverkeer is waarbij ikzelf verstolen blijf van enige respons.

aldus,

Beste Titus,

Je snapt het inmiddels;  verdriet mag je niet gemist hebben in het leven. Het afgelopen jaar heeft het je platgeslagen toen jouw goede vriend en coach, levensgezel en werkmakker plots dood ging.

Zo begint menig treurig verhaal.

Na de mokerslag kwam het besef dat een nieuwe fase in het leven niet te vermijden valt, hoe hard je er ook tegen vecht. Je snapt het, het gaat over zich overgeven aan iets nieuws, iets anders en in mijn geval aan een nieuwe rol. De mens handelt in rollen, zo besef je nu, en hij lijkt er alles van te weten om zich vervolgens met meerdere rollen in de problemen te werken.

En dan had je Rasmus, en zijn erupties van onozele lolligheid leken de treurnis te moeten bezweren.

Zonder opscheppen, jij weet nu wat je moet doen als je een groot verdriet heb. Vroeger zette jij je tanden op elkaar om dan te wachten tot het over gaat maar tanden blijken niets te kunnen beginnen tegen verdriet.

Bovendien had jij lak aan zo’n nieuwe positie. Net als veel jong mensen twijfelde jij of je de rol van coach wenste aan te nemen. Jij begrijpt hen. Maar jouw mens was onverbiddelijk en plaatste je – als leermeester van Rasmus- in een nieuwe rol.

Jij – beste Titus – weigerde, trok je terug in een bench om duidelijk te maken dat het aan jou niet gegeven was. En sinds wanneer wordt een hond, omdat hij toevallig zijn maat kwijt is, zomaar een roedelleider ???

Tjee. zat die even goed.

Gadverdamme..

Wat je nooit was kan je niet blijven

Beste lezer,

De innige band tussen mens en leiband, genoegzaam bekend onder ons honden, werd afgelopen week nog maar eens onderwerp van discussie tussen de honden en de jongeren.

Net als een ring rond de vingers van de mens, worden wij aangelijnd met touwen,  banden die ons vervolgens als keurslijven beklijven.

Daarna moet ge-wand-eld worden, niet gejaagd of gespeeld.. neen, ge-wan-deld. Het is iets van de mensen, die drang om te wan-de-len.

Ik stel mij er allang geen vragen meer bij maar ik merk bij een jonge recruut; een beginnende junior of pupje veel twijfel omtrent deze vreemde gewoonte om zonder jacht, zonder enge zinnige acitiviteit in bos of weide, te ‘wan-de-len’, om zich zonder aanwijsbare reden van het ene punt naar het andere te begeven om daarna terug te keren zonder buit, zonder nieuwe ontmoetingen, zonder nieuwe geur paletten, hoogtens met een geledigde blaas alsof iets dergelijks een doel op zich zou kunnen zijn.

Maar toch, zo gezegd, zo het bos ingestapt waarbij elke weldenkende hond duidelijk probeert te maken dat er geen leiband nodig is om een beest te laten volgen, maar de mens.. tja..

Een zielige enkeling heeft een mens te pakken met een riem in de ene en een wandelstok  in de ander hand. Een dergelijke hond staat een nieuwe obsessie te wachten, namelijk het zoek laten raken beide rekwisieten zodat daarna terug in vrijheid kan gelopen worden.

Als een  zich in deze betonnen wereld vergalopperende jachthond, een prins zonder koninkrijk,  eventjes alleen in dat kunstwoud, eventjes een beetje alleen met de dieren en de bomen van geur naar geur, sleurt zo’n beest dan zijn mens mee, in de hoop wat passie te ervaren voor modderrollen, konijnen beloeren, kadavers ophoesten of verworven schatten begraven..

Neen laten wij erover praten. het is nog banaler om over vergeten jachttrofeen – ik leef met een kreupel geheugen op dat vlak –  te praten dan over het weer, dus laten we het eventje banaal houden omtrent dat wan-de-len..

En dan de mens die qua geur en jachtinstincten in een soort ingedommeld universum lijkt te zijn beland en omwille van een belachelijk gebrekkige snelheid en behendigheid slechts kan proberen zonder vallen verder te klossen.Ha !

‘Geluk is een kwaliteit’, aldus de dek-ram.

Beste lezer,

Er zit een lek in de herfst, denk ik, waar ik na het opdrogend genot van dagelijkse modderbaden, kwijlnatte beesten beklaag die zich de activiteit hebben aangemeten om van dooie, lusteloze hondenlijven weer vruchtbare wezens te maken…

Neem nu de dek-ram.

Zijn territorium is overbevolkt met dolle minnaressen, een groepje beproefde en uitverkoren schapen, en dus kan hij zich niet permitteren het vuur in zijn kleine lijf ook maar eventjes te laten doven. Na elke flemende inspanning is het een beetje sterven en weer geboren worden, steeds de cool bewaren… Deze week richt hij zich apart en tot elkeen vanachter een onbeschaamde vrijpostigheid.

Arm beest, wacht maar als hij na dit feestje de volle leegte moet zien te verdragen.

Maar intussentijd, wat een sleur, de dagelijkse drang om te moeten dekken, het dagelijks gedonder wat voorafgaat en volgt om je taak met koortsige blik te moeten volbrengen. Terwijl ik nog zo gelukkig ben dat ik mijn eigen boontjes mag doppen,  zelf bepaal wie in mijn mand kan liggen, mijn botten niet moet delen, maar ze in een donkere hoek kan bewaren waar ze naar hartelust kunnen doorschimmelen…

‘Ik mag van geluk spreken, maar geluk is ook een kwaliteit’, beste dek-ram. Geluk is ‘s morgens vroeg je blaas legen, om de dauwdruppels als mussen weg te plassen, gluren naar links en rechts, geen mol te bekennen, alles openen en wateren…

Het is gewoon broddelwerk, groot worden.

Beste lezer,

Het gaat dagen in de Oostelijke kant van de kop bij Rasmus als hij plots niet meer de jongste, de kleuter, de schootzitter en de Bambi onder de honden is.

Dit Oostelijke dagen vond plaats nadat hier een donzige puppy landde die instant alle harten veroverde. Het vrolijk, licht brutale mannetje nam onmiddellijk de ruimte en de harten in, Rasmus in verwarring en verbijstering achterlatend.

Voor de kleine werd Rasmus’ lijf nu een bespottelijke betovering waar hij onbelemmerd zijn gang op kon gaan met staart, oren en poten knauwend, en jumpend. Ondanks elk gebrek aan respect leek Rasmus de snoet van de kleine aandoenlijk te vinden, zelf toen deze zijn tandjes in plantte.

In deze situatie had Rasmus rommelig veel lichaam, met zijn lange ledematen als een toppunt van overbodig gebungel.

Dat was vervelend genoeg maar het lukte Rasmus niet om grenzen aan te geven en dus werd de kleine steeds brutaler als respons op de lummelachtige onbewegelijkheid van Rasmus.

Ik keek zijdelings toe. Ook bij mij had de kleine wat gegekscheerd, maar een diep aanzwellend geluid als van een naderende kudde hoefdieren komend uit mijn onderbuik, hield hem op afstand.

De zaak was duidelijk; Rasmus wou niet groot worden. Hij zou de positie van de benjamin niet loslaten en over de positie van leermeester had hij duidelijk nog nooit nagedacht.

Hij probeerde de pup dan maar te berijden, een herhaling van een tumultueuze feestvreugde waarmee hij vaak succes behaalde bij de teefjes, maar dat is zo’n principieel andere benadering dan het paren, dat er verder niet over gepraat hoeft te worden.

Nu schort het me aan ervaring om hier bij pubers zoals Rasmus in tussen te komen. Ook mijn mens liet alles tergend lang begaan.

‘Hij wil niet groot worden’, grijnsde één van de jongeren. ‘Begrijpelijk’, opperde een ander. ‘Wie wil nu volwassen worden??’

‘Een kwestie van aangeleerde hulpeloosheid’, vond nog een ander.

‘Heeft hij hulp nodig volgens jullie, of houden we het erbij dat hij niet volwassen hoeft te worden??’

De jongeren twijfelden.

Jammerend over de hele reutemeteut zonder één geluid dat de pijn en ellende vertolkte.

Beste lezer,

Laat het zo zijn dat je pas reden hebt tot jammeren als je dingen hebt gekend die je zijn afgenomen, omdat je echt iets zou willen voelen of omdat het grote liegen komt als je in werkelijkheid niets meer kunt voelen, behalve ergernis en nijd.

Het aanheffen van een dergelijk drama lijkt enkel aan de mens te zijn gegeven. Dat bewees hier de afgelopen week nog maar eens een mens die een vreemd spektakel te berde bracht bij het begin van een dag.

Een jong mensenkind zou een dagje komen kennismaken met ons honden, maar nog voor de deur dicht was, hief het kind een luide klaagzang aan waarbij het hakkelend huilde. Hij was ogenblikkelijk met zijn verhaal begonnen over het vele leed dat hem ooit was overkomen. Een grote mensenman stond er vermoeid naast, terwijl hij aandachtig een stuk suikerbiet te bestudeerde.

Nu zijn er jongmensen die echt kapot gaan van verdriet. Elk beetje hond voelt dit tot in elke teen en elke snorhaar en als ik dat door dat innerlijk schouwen weet, dan kan je als beest precies afwegen of het een diepe poel verdriet dan wel een drama betreft. Er zijn heel wat vermolmde mensen die volhouden dat elke traan een vloeiend stukje ellende is, maar mijn ervaring is dat niet.

Met mijn inwendig lichtje zie ik waar de tranen vandaan komen… Ik heb het talloze malen kunnen constateren het verschil tussen geperste en vloeiende mensentranen …

Rasmus kijkt er met grote ogen naar, kijkt vervolgens in onrust naar mij omdat hij niet weet het kind al/dan niet te moeten bestormen met zijn liefdes tornado’s. Hoe zit dat hier eigenlijk?  Is dit kind een prooi van een mensenroofdier, of prooi van zichzelf, want prooien weten altijd met wrede zekerheid als er dramatische wendingen aankomen.

Het kind perste er nu steeds meer tranen en drama uit. Er was geen gevaar rond het kind en het genoot duidelijk de bescherming van de grote man naast hem. Desondanks schreeuwde het moord en brand.

Ongemanierd leven na de dood

Beste lezer,

‘Zijn we nu slachtoffer?’, vraag één van de jongeren na de storm van mensen en woorden omtrent ons territorium afgelopen week want dood zijn is hard liggen en na de dood moeten mens en hond natuurlijk verder…

Andere jongeren opperen dat we nu misschien eerder in de stoel van aanklager zitten, al is de ondertoon daar eerder twijfel.

Ik vind het allemaal lastige woorden. Ze vliegen over mijn hoofd zonder te willen landen. Weerom heeft een groepje mensen zich in een impasse gewerkt. Het zal wel weer onnodig ingewikkeld zijn. Enfin…

Ik beef nog van alle commotie. Ik beef er nog van, als een espenblad dat trilt onder de ingehouden kreten in de arena die Patrasche de afgelopen dagen was.

Wij moeten onze rustige en waardige eigen wereld herscheppen en vandaag vooral uitademen, we moeten een heleboel donkerte verbranden, maar hoe precies, u hebt gelijk, begin er maar eens aan. Maar ook als wij het niet weten moet het dringend gebeuren, misschien door iemand anders… Klap, neep, lik en de kiezen op elkaar als onze rust verpieterd is, geef de schuld aan de misvorming van het mensdom en probeer die misvorming niet te diep in de ogen te kijken. En ja, dat maakt het samenzijn met mensen niet monterder, zo na de dood. Inderdaad:  Geen bloemen noch kransen.

Soit. Het is welletjes geweest.

Ik zelf heb beslist: ik ga niet dood. Ze mogen mij aanlijnen, uit een roedel zetten of in een asiel stoppen, ik ga niet dood. Ik wil à propos ook niet ouder worden, het verval is genoeg geweest, het is nu mijn beurt om te beslissen.

Neem nu de stoffen tent, die hier ook al neer moest omwille van de wakte. Net als mensen sterven zo’n dingen even gelaten als ze leven, ik doe daar niet meer aan mee. Je kunt zo blijven dood gaan. Met de kat Remus heeft het mooi niet gepakt, die is niet dood te krijgen en de kerkuil zelf, die eens het voorbeeld zou geven hoe een beest in waardigheid sterft, heeft in het graf ook niet lang gejubeld. De wenende jongeren waren er aan voor de moeite.

Doodsvonnis

Beste lezer,

Vandaag geen blog.

De honden en dieren van Patrasche zijn vandaag in rouw omwille van het doodsvonnis dat Patrasche gisteren kreeg van de roedelleiders van de stad en daaropvolgend geplande lijkenpikkerij.

In de natuur wordt enkele dergelijke agressie gebruikt in tijden van vijandige roedelaanvallen, nooit ten aanzien van de zwakkeren in de roedel. Enkel de mens kan zo laag vallen en wordt hier van zijn donkerste en giftigste kant getoond.

Volg hier het vonnis

Bij Patrasche is het vandaag dan ook doodstil.

Uw gevonniste

Titus

 

 

De toegang tot de twijfel.

Beste lezer,

Het vege lijf als aanhangsel mee moeten zeulen tegen wil en dank, omdat men zonder omhulsel niet van conceptuele betekenis kan zijn, kan als een doorn in het harmonische vlees gaan gelden, zo bleek hier een tijd geleden.

Je hangt er aan vast, terwijl het op onvoorspelbare wijze evolueert, tegenwerkt, last geeft, knarst en piept zonder aanwijsbare reden, en algemeen je eigen authentieke zelve verraadt.

Dat dacht ik toen de najaarsregen ons hier naar binnen dreef terwijl we ons zwaar van de zomergeneugten met een trage plechtige tred voortbewogen. De extra zomerkilo’s doen mijn vlees stralen onder de pracht van mijn vacht. Ze doen mijn poten dieper in het zand zakken bij het wandelen, ze zorgen ervoor dat ik waardig ga schrijden eerder dan lopen. Ik hoor takjes onder mijn poten kraken die voorheen enkel piepten of makkelijk bogen. Een kwestie van ’embarras du choix’

Ook voor enkele jongmensen lijkt de zomer zeer gul te zijn geweest in termen van investering in lichamelijk omvang. Ook zij lijken te promoten: Magere en tanige lijven zijn ongeschikt voor een positie van respect in de groep.

We proberen het mijn mens al lang duidelijk te maken: Verlaat men de goed opgebouwde contouren van het eigen lijf door te gaan beknotten in eten, dan sluit men zichzelve buiten op een manier die weinig eervol is. Ze begrijpt het niet of ze wil het niet begrijpen.

Ook Rasmus hoopt zich bij onze lijvige club te mogen vervoegen, maar hoe groot hij ook is, hij blijft in staat om in weerwil van zijn massieve structuur uiterst snelle wendingen te maken.

Zo niet wij.

Men ziet hem verder zijn gewicht niet aan omdat de uitdrukking van zijn kop zo sterk is. Hij heeft iets meligs in de ogen, dat maakt dat men voornamelijk naar de wijze waarop hij kijkt, schouwt, en niet naar de omvang van zijn gedaante.

Zo niet bij ons.

We verbergen zoveel licht dat we het laatste kwartier van de maan uitsparen.

Beste lezer,

Steeds vaker wordt hier ‘het bedje’ uitgehaald en duikt daarin een jongmens schuilend voor het leven, weggedoken in het eigen lijf veilig voor het extracorpus leven.

Sommige jongmensen zijn nu eenmaal héél moe en dus vrijwaar ik snel mijn hoekje op dat bed.

De wereld wordt dan onder de dekens buitengesloten, terwijl ik dicht tegen zo’n jongmens aanschurk die voor de rest geen vlieg meer rond zich wil. Ik snap het want ik ken gelijkaardige episodes: ‘Blijf allemaal van mijn lijf, ik bepaal welke hoek ik omsla, op welke plaats mijn hart zit, waar ik om zeep ga en hoeveel uur een dag duurt. Hier met mijn leven, ‘t is van mij, ik heb het gekregen, het werd mij geschonken, merci moeder, ze zullen er met hun tengels vanaf blijven. Leve mijn leven, tintel mijn bloed, voorwaarts mijn poten, licht jullie mijn oren, wijs maar mijn neus, ik hou je in de gaten.’

Ik voel het ook aan mezelf, ik ruik de afkeer bij de jongmensen, wij willen er allemaal uitknijpen, naar een warme mand, een potig bed met zware dekens. Hoe de plagen torsen zonder gebukt te lopen, ik vraag het je.. ?

Wij ademen samen zwaar onder de dekens, zo’n jongmens en ik. Wij maken onszelf niks wijs, wiegen onszelf in slaap en verdoven ons hoofd met zalige donkerte. We verbergen zoveel licht dat we het laatste kwartier van de maan uitsparen.

En het weer buiten zeurt al evenzeer, de vogels vliegen laag en de kat is het blikvoer beu.

We roepen onszelf uit tot de meest beklagenswaardige groep bedsoldaten, rechtvaardige huilebalken, de miezerige vluchtelingen uit de normale wereld, tussen zij die nog moeten hopen en zij die het gehad hebben, wij wachten op een smak die hard zal aankomen, wij kunnen nog niet met de billen bloot.

Zucht… Fijn !

Geur bereikt je op elk adres.

Beste lezer,

De meest gevreesde neus van dit territorium – de mijne dus – reageert in regel op het perspectief. Dat wil zeggen dat ik dominante geur van de defilerende sliert mensen die hier Fikkie, Snoopy, Bruno, Wodka en Tosca van de leiband verlossen waarop hun welgevoerde vriend wijdbeens tot ontlasting overgaat, makkelijk kan identificeren.

Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, de geuren en hun gastheren: Uitdagers en bekvechters met hormonen, kleine tanige individuen met talg en zeep, rillerige meisjes met ijsbonbons, verkrampte figuren met verzuring. Moeilijk is dat niet, althans niet voor een hond.

Maar de geurende berichtgeving gaat voor ons nog vééél verder; en ze is – noteer – finaal onfeilbaar.

Voor ons ontvouwen geuren zich zelfs als angst, frustratie, stress, verdriet en wanhoop van stille teruggetrokken mensen figuren, want geur bereikt je tenslotte op elk adres, toch als de hond thuis is.

Bespaar ons de eindeloze mensenwoorden over de opeenstapeling van problemen en over wie wat te vertellen heeft. Verschoon ons vooral de bespiegelingen over de dramatische ontwikkelingen en de verwarring wanneer daar door de één anders wordt over verhaald dan door de ander.

De mens en zijn besognes, heeft het met nog wat anders te stellen dan woorden, want een wezen is uiteindelijk zo breed als zijn geur, dat weet elke hond.

Het waarnemingsvermogen van de mens is dus afgebrokkeld tot het niveau van een goudvis waardoor het zicht op leven nog uit een belachelijke notendop bestaat.

‘t Kan natuurlijk ook aan hun ziekelijke kuisziekte liggen, waardoor ze – wat echt lekker geurt nooit ervaren; verfrommelde appeltjes, bloeddoorlopene knaagdierkadavertjes, afgelebberde zwoertjes in een vuilnisbak, timide weglopende muizen in doodsangst, om nog te zwijgen van bedorven kaas onder plastic die – aan het oog onttrokken – druk bewoond wordt door nieuwe gasten.