Beste lezer,
Steeds vaker wordt hier ‘het bedje’ uitgehaald en duikt daarin een jongmens schuilend voor het leven, weggedoken in het eigen lijf veilig voor het extracorpus leven.
Sommige jongmensen zijn nu eenmaal héél moe en dus vrijwaar ik snel mijn hoekje op dat bed.
De wereld wordt dan onder de dekens buitengesloten, terwijl ik dicht tegen zo’n jongmens aanschurk die voor de rest geen vlieg meer rond zich wil. Ik snap het want ik ken gelijkaardige episodes: ‘Blijf allemaal van mijn lijf, ik bepaal welke hoek ik omsla, op welke plaats mijn hart zit, waar ik om zeep ga en hoeveel uur een dag duurt. Hier met mijn leven, ‘t is van mij, ik heb het gekregen, het werd mij geschonken, merci moeder, ze zullen er met hun tengels vanaf blijven. Leve mijn leven, tintel mijn bloed, voorwaarts mijn poten, licht jullie mijn oren, wijs maar mijn neus, ik hou je in de gaten.’
Ik voel het ook aan mezelf, ik ruik de afkeer bij de jongmensen, wij willen er allemaal uitknijpen, naar een warme mand, een potig bed met zware dekens. Hoe de plagen torsen zonder gebukt te lopen, ik vraag het je.. ?
Wij ademen samen zwaar onder de dekens, zo’n jongmens en ik. Wij maken onszelf niks wijs, wiegen onszelf in slaap en verdoven ons hoofd met zalige donkerte. We verbergen zoveel licht dat we het laatste kwartier van de maan uitsparen.
En het weer buiten zeurt al evenzeer, de vogels vliegen laag en de kat is het blikvoer beu.
We roepen onszelf uit tot de meest beklagenswaardige groep bedsoldaten, rechtvaardige huilebalken, de miezerige vluchtelingen uit de normale wereld, tussen zij die nog moeten hopen en zij die het gehad hebben, wij wachten op een smak die hard zal aankomen, wij kunnen nog niet met de billen bloot.
Zucht… Fijn !


