Maand: september 2026

Het leven moet je op heterdaad betrappen

Beste lezer,

Omdat ik soms weinig vat heb op zoiets als verbeelding, zal ik u een waarheidsgetrouw relaas opdissen over een ochtend die ik laatst met een indrukwekkende roedel halwassen mensenpuppy’s moest doorbrengen. Ze kwamen luid en zeer aanwezig toe, druk kakelend en lachend en vol verwachting om naar ‘de dieren te komen kijken’.

(Het wordt geen natuurgetrouw relaas want natuur speelt in regel slechts een erg kleine rol als grote roedels mensen landen.)

Elk van hen wenste ons liefst als troeteldier op de schoot en hier stonden we dus , Rasmus, zijn liefje en ik, drie honden overgeleverd aan een roedel mensenpuppy’s en aan het winderige najaarsweer.

Er werden snel kleinere groepjes gemaakt waarbij de mensen puppy’s zich mochten gaan positioneren bij de hond waar ze zich het meest comfortabel bij voelden..

Ik zelf werd gekozen door een reeks jonge meisjesmensjes die me kirrend tot hun persoonlijke troetelbeest uitriepen. Moeilijk zou het niet worden. Met mijn smachtende blik ontstond spontaan een regen van snoepjes. So far so good.

De geplande indeling maakte de zaak toch enigszins overzichtelijker, althans voor mij want Rasmus was alvast in lichte paniek in de moddervijver gevlucht, vrezend dat hij,  met zijn troetellichaam al gauw tot graaiobject zou verworden.

De modderlaag van de beek is altijd een zekere redding in een dergelijke situatie want geen menselijke ziel zou hem volgen in de smerige smurrie waarin hij zich al direct van kop tot teen had ondergedompeld.

Beduusd stond zijn fanclub nu rondjes te draaien bij de vijver. Ook hun roedel leidster wist zich met deze situatie duidelijk geen raad want ze zond bij nader zicht net zoveel kalmerings- als stress signalen uit waardoor noch Rasmus noch het groepje kinderen tot rust of kalmte te brengen waren.

Toen werd het leuk.

De roedel leidster trachtte Rasmus nu met snoep uit de modder te lokken waarbij ze tot haar knieën in de modder zakte.

Ik sloeg haar gade onder het aandachtig kauwen van een niet aflatende toevloed aan snoepjes .

Gevallen voor kwaadwillige schaduwen

Beste lezer,

De vele schaduwen uit het verleden van jongmensen kronkelen zich hier de laatste weken als palingen in de pan.
Je hebt er als hond toch maar mee te doen , met hen die eronder gebukt aan.

Ik kijk aandachtig naar zo’n mens. Hij lijkt in de ban van schaduwwezens die zich opdringen en er een algemene janboel van maken, van het hoofd maar die je desondanks niet te lijf kan gaan of uitschelden.

Wat mij betreft, hebben ze een zielige attitude die schaduwen, als een gemene parasiet in de vacht waar zogenaamd geen enkel verweer zou tegen bestaan.

Typisch weer voor de mensenwereld, een dergelijk fenomeen om zich onledig te houden met zaken die er eigenlijk niet zijn, maar toch alle aandacht opeisen in hun eindeloze miserie.

Als zo’n jong mens enkel nog kan wenen of vluchten in de slaap, is het denk ik het meest waarschijnlijke, dat er een heleboel schaduwkrachten zijn beginnen samen werken in zo’n arm hoofd dat in welke omstandigheid dan ook niets anders lijkt te antwoorden dan ‘uw wil geschiedde’.

‘Verwarrende om op die manier gecommandeerd te worden’, merkt mijn mens droogjes op, ‘zo vanuit de kop’.

Maar dat het niet immers de wil van de schaduw is die geschiedde kan immers zo goed als nooit te bewijzen zijn.

Zo komen we er niet uit.

Complex, de schaduwen van de mens.

En hoe ontspringt zo’n een getormenteerde jongmens dan de dans van ongelukzalig gelegenheden uit het verleden  terwijl het hoofd op volle toeren draait en het zweet verandert van geur.

Ook Rasmus krijgt stilaan belangstelling voor de ware toedracht van de geur van angst vermengd met drama waardoor het verdriet nog een versnelling hoger gaat. Wat te doen hiermee ? Hij houdt me nadrukkelijk in de gaten.

Ik doe mijn best maar sta stilaan op gespannen voet met al die schaduwen want de lichtheid in de eigen kop wordt er toch maar telkens weer troebel door verzwaard.

Maar kijk, ik vorm de vloedlijn voor de tranen en verdriet want er is nu eenmaal geen verweer tegen mijn uitgestoken tederheid.

Hier pauzeer ik even om te blozen.

Zouden we niet gewoon hier kunnen blijven oppert mijn mens. Die plek in je hoofd waar je het altijd over hebt vinden we toch nooit.

Op de vlucht dan maar voor de schaduwen lijkt zo’n jong mens dan te besluiten terug te keren naar hier en nu ( en dus naar mij ! ).

En uiteindelijk moeten ze bezwijken, die schaduwen en hebben ze een zondeval achter de rug want ook het schaduwenparadijs is eindig.

Ze sluipen de kop uit, zonder dag te zeggen en somber en met gebogen hoofd, uitdovend door gebrek aan aandacht.

Killing it softly in embrace.

Titus