Maand: november 2024

Hij durft wel eens uniek te mankeren, de mens.

Beste lezer,

Ieder wie Rasmus van dichtbij mee maakt kan zien hoe hij nog steeds vol verwondering de wereld in kijkt. Vol verwondering over de bijzondere honden die hier passeren, over avonturende konijnen die hun eigen schaduw lijken te ontvluchten, over de gebrekkige mens die met nietige oortjes, een nutteloze neus en kwetsbare ogen denkt de wereld in zijn naakte realiteit te kunnen zien. Ha ! 

‘Vertel me over de mens’, zei de kleine.

‘Dat er veel niet in orde is met de mens’, zei ik hem, ‘of dat hij hapert of soms uniek mankeert moge duidelijk zijn’.

‘Maar ze zijn zo lief, die mensen’, vindt Rasmus.

‘Kijkt men hen in het hart, dan is de lol er vaak af’, corrigeer ik hem. ‘Hij is er niet bij, die mens. Accent op zichzelf en dus zelden opmerkzaam over de trillingen in de aarde, over de scheuten in de lucht en tussen de sterren, bij de geuren van de wind, over de boodschappen van diep onder de grond, bij de meldingen van de vogels, bij het seinen van de varens..’

‘En toch loopt hij trots rechtop, alsof hij alles altijd begrepen heeft… Alsof hij zelf alles geregeld en bewerkt en vooral afgewerkt heeft. Hij is eenvoudig de mens, vaak alleen met zichzelf bezig, zo vaak weg van de wereld.

Moe van zichzelf en op zoek naar een hond om hem te troosten.’

‘Ikke .. ‘ gilt de kleine behaagzuchtig.

Ik geef niet op.

‘Maar men moet sterk zijn wil men de verdrietige, prangende blik van de mens lang kunnen verdragen. Alleen ‘s nachts lijkt de waanzin van de mensen te bedaren als de geluiden van de dag enkel slechte vertalingen van de zalige stilte blijken te zijn.’

‘Luister je wel, Rasmus ?’

 ‘Maar ik vind ze zo zacht !’

Waren ze maar wraakzuchtig, die ogen

Beste lezer,

Ieder weet dat ik de pest heb aan de kat Remus als die me dreigend aan zit te staren. Geen enkele weldenkende hond houdt van staren, al zeker niet sinds toen, met een starende jongen bij Patrasche, een jongmens die een zware stempel op mij achterliet.

Hij was hoge smalle mens, die weliswaar netjes toekwam, maar dan steevast zwijgend zat te staren in zijn zeteltje. Dat zwijgende staren had een zware impact op mij, op Rasmus én op de mensen.

Hij keek ons niet aan, en gaf mij geen aaien. Verder was er niks aan hem te zien behalve de eigenaardige donkere strakke blik waarmee hij over onze hoofden staarde alsof hem daar iets wachtte. Ik probeerde de verten te volgen die in zijn ogen dwaalden, ook al waren die nooit bezocht, maar ontwaarde niets.

We kregen er een vreemd sfeertje door en ik raakte licht uit mijn doen.

Hij leek in een zwijgend incident te zitten, deze mens…

De jongeren stelden hem voorzichtige vragen, maar hij antwoordde niet zodat ze opnieuw in de onmogelijkheid verkeerden om iets op te lossen dat de schijn van een afwikkeling had. Het leek of hij zo hard moest oppassen alsof zijn leven op het spel stond. Elke hoe of wat ontschoot hem (en ons! ).

Rasmus probeerde zijn gezicht wakker te likken om iets aan de verstarring te doen. Zonder succes.

De nek van de jongen zat nu stilaan in een scheve krampachtige stand en zijn ogen had het turen in de verte hernomen. Zijn lijf zat erbij of het alle bruikbaarheid verloren had en toonde geen enkele beweging, op het stijf gestrekte been na overigens want dat trilde van spanning en toch zat er – denk ik –  inwendigs niets verkeerd. Maar zijn ogen waren leeg en onbepaald. Waren ze maar wraakzuchtig, die ogen dan zou ik weten wat de uitdrukking inhield. Dan zou er al een glimp te zien zijn van een mogelijke dreiging. Nu deden ze me denken aan een dier dat dood ging.

Men werd er eenzamer en triester door, door zijn aanwezigheid.