Beste lezer,
Ieder wie Rasmus van dichtbij mee maakt kan zien hoe hij nog steeds vol verwondering de wereld in kijkt. Vol verwondering over de bijzondere honden die hier passeren, over avonturende konijnen die hun eigen schaduw lijken te ontvluchten, over de gebrekkige mens die met nietige oortjes, een nutteloze neus en kwetsbare ogen denkt de wereld in zijn naakte realiteit te kunnen zien. Ha !
‘Vertel me over de mens’, zei de kleine.
‘Dat er veel niet in orde is met de mens’, zei ik hem, ‘of dat hij hapert of soms uniek mankeert moge duidelijk zijn’.
‘Maar ze zijn zo lief, die mensen’, vindt Rasmus.
‘Kijkt men hen in het hart, dan is de lol er vaak af’, corrigeer ik hem. ‘Hij is er niet bij, die mens. Accent op zichzelf en dus zelden opmerkzaam over de trillingen in de aarde, over de scheuten in de lucht en tussen de sterren, bij de geuren van de wind, over de boodschappen van diep onder de grond, bij de meldingen van de vogels, bij het seinen van de varens..’
‘En toch loopt hij trots rechtop, alsof hij alles altijd begrepen heeft… Alsof hij zelf alles geregeld en bewerkt en vooral afgewerkt heeft. Hij is eenvoudig de mens, vaak alleen met zichzelf bezig, zo vaak weg van de wereld.
Moe van zichzelf en op zoek naar een hond om hem te troosten.’
‘Ikke .. ‘ gilt de kleine behaagzuchtig.
Ik geef niet op.
‘Maar men moet sterk zijn wil men de verdrietige, prangende blik van de mens lang kunnen verdragen. Alleen ‘s nachts lijkt de waanzin van de mensen te bedaren als de geluiden van de dag enkel slechte vertalingen van de zalige stilte blijken te zijn.’
‘Luister je wel, Rasmus ?’
‘Maar ik vind ze zo zacht !’


