Beste lezer,
Er moet mij toch eventjes iets van het hart. Het is niet langer pruimbaar voor mij.. die rustige duwtjes in de rug op weg naar het heilige leiderschap waar de mens zo bespottelijk vaak de mond over vol heeft.
De onmogelijkheid om als leider het absolute minpunt te bereiken is een geruststelling die me van een goede nachtrust verzekert. Want als er iets is waar alle jongeren het over eens zijn dan is het wel dat ik me zal blijven verzetten tegen het keurslijf van het leiderschap.
Ik ben er geen liefhebber van, en het ontzag dat ermee gepaard gaat is mij vreemd.
Eerst dacht ik nog dat ik het voor mekaar had, het lang verwachte – mij opgedrongen! – leiderschap. Dat was voor de komst van een knappe zelfzekere teef , duidelijk een geboren leidster die hier snel en efficient de lakens kwam uitdelen, waarna ik haar met graagte kon volgen.
‘Zou hij een geboren leider zijn, het zou hem niet zo veel moeite kosten’, opperde één van de jongeren hiermee mijn onbenul op dat vlak inpeperend.
Zoiets stemt enigszins droevig. Mijmeringen over de aard van aangeboren leiders, vermoeien mij mateloos.
Maar wat mag dat dan wel zijn een leider ?
Mijn mens hoopt stiekem dat ik me verder kan ontpoppen tot half troetelpup, half leider en dat de andere rampetampende honden naar mij kunnen komen om hun geschillen aan mij voor te leggen, hun onrust, hun stress en hun verwarring in mijn poten te gooien en als ik geen kans zie een voor alle partijen bevredigende oplossingen te bedenken, ben ik de pineut.


