Maand: december 2025

Wat je nooit was kan je niet blijven

Beste lezer,

De innige band tussen mens en leiband, genoegzaam bekend onder ons honden, werd afgelopen week nog maar eens onderwerp van discussie tussen de honden en de jongeren.

Net als een ring rond de vingers van de mens, worden wij aangelijnd met touwen,  banden die ons vervolgens als keurslijven beklijven.

Daarna moet ge-wand-eld worden, niet gejaagd of gespeeld.. neen, ge-wan-deld. Het is iets van de mensen, die drang om te wan-de-len.

Ik stel mij er allang geen vragen meer bij maar ik merk bij een jonge recruut; een beginnende junior of pupje veel twijfel omtrent deze vreemde gewoonte om zonder jacht, zonder enge zinnige acitiviteit in bos of weide, te ‘wan-de-len’, om zich zonder aanwijsbare reden van het ene punt naar het andere te begeven om daarna terug te keren zonder buit, zonder nieuwe ontmoetingen, zonder nieuwe geur paletten, hoogtens met een geledigde blaas alsof iets dergelijks een doel op zich zou kunnen zijn.

Maar toch, zo gezegd, zo het bos ingestapt waarbij elke weldenkende hond duidelijk probeert te maken dat er geen leiband nodig is om een beest te laten volgen, maar de mens.. tja..

Een zielige enkeling heeft een mens te pakken met een riem in de ene en een wandelstok  in de ander hand. Een dergelijke hond staat een nieuwe obsessie te wachten, namelijk het zoek laten raken beide rekwisieten zodat daarna terug in vrijheid kan gelopen worden.

Als een  zich in deze betonnen wereld vergalopperende jachthond, een prins zonder koninkrijk,  eventjes alleen in dat kunstwoud, eventjes een beetje alleen met de dieren en de bomen van geur naar geur, sleurt zo’n beest dan zijn mens mee, in de hoop wat passie te ervaren voor modderrollen, konijnen beloeren, kadavers ophoesten of verworven schatten begraven..

Neen laten wij erover praten. het is nog banaler om over vergeten jachttrofeen – ik leef met een kreupel geheugen op dat vlak –  te praten dan over het weer, dus laten we het eventje banaal houden omtrent dat wan-de-len..

En dan de mens die qua geur en jachtinstincten in een soort ingedommeld universum lijkt te zijn beland en omwille van een belachelijk gebrekkige snelheid en behendigheid slechts kan proberen zonder vallen verder te klossen.Ha !

‘Geluk is een kwaliteit’, aldus de dek-ram.

Beste lezer,

Er zit een lek in de herfst, denk ik, waar ik na het opdrogend genot van dagelijkse modderbaden, kwijlnatte beesten beklaag die zich de activiteit hebben aangemeten om van dooie, lusteloze hondenlijven weer vruchtbare wezens te maken…

Neem nu de dek-ram.

Zijn territorium is overbevolkt met dolle minnaressen, een groepje beproefde en uitverkoren schapen, en dus kan hij zich niet permitteren het vuur in zijn kleine lijf ook maar eventjes te laten doven. Na elke flemende inspanning is het een beetje sterven en weer geboren worden, steeds de cool bewaren… Deze week richt hij zich apart en tot elkeen vanachter een onbeschaamde vrijpostigheid.

Arm beest, wacht maar als hij na dit feestje de volle leegte moet zien te verdragen.

Maar intussentijd, wat een sleur, de dagelijkse drang om te moeten dekken, het dagelijks gedonder wat voorafgaat en volgt om je taak met koortsige blik te moeten volbrengen. Terwijl ik nog zo gelukkig ben dat ik mijn eigen boontjes mag doppen,  zelf bepaal wie in mijn mand kan liggen, mijn botten niet moet delen, maar ze in een donkere hoek kan bewaren waar ze naar hartelust kunnen doorschimmelen…

‘Ik mag van geluk spreken, maar geluk is ook een kwaliteit’, beste dek-ram. Geluk is ‘s morgens vroeg je blaas legen, om de dauwdruppels als mussen weg te plassen, gluren naar links en rechts, geen mol te bekennen, alles openen en wateren…

Het is gewoon broddelwerk, groot worden.

Beste lezer,

Het gaat dagen in de Oostelijke kant van de kop bij Rasmus als hij plots niet meer de jongste, de kleuter, de schootzitter en de Bambi onder de honden is.

Dit Oostelijke dagen vond plaats nadat hier een donzige puppy landde die instant alle harten veroverde. Het vrolijk, licht brutale mannetje nam onmiddellijk de ruimte en de harten in, Rasmus in verwarring en verbijstering achterlatend.

Voor de kleine werd Rasmus’ lijf nu een bespottelijke betovering waar hij onbelemmerd zijn gang op kon gaan met staart, oren en poten knauwend, en jumpend. Ondanks elk gebrek aan respect leek Rasmus de snoet van de kleine aandoenlijk te vinden, zelf toen deze zijn tandjes in plantte.

In deze situatie had Rasmus rommelig veel lichaam, met zijn lange ledematen als een toppunt van overbodig gebungel.

Dat was vervelend genoeg maar het lukte Rasmus niet om grenzen aan te geven en dus werd de kleine steeds brutaler als respons op de lummelachtige onbewegelijkheid van Rasmus.

Ik keek zijdelings toe. Ook bij mij had de kleine wat gegekscheerd, maar een diep aanzwellend geluid als van een naderende kudde hoefdieren komend uit mijn onderbuik, hield hem op afstand.

De zaak was duidelijk; Rasmus wou niet groot worden. Hij zou de positie van de benjamin niet loslaten en over de positie van leermeester had hij duidelijk nog nooit nagedacht.

Hij probeerde de pup dan maar te berijden, een herhaling van een tumultueuze feestvreugde waarmee hij vaak succes behaalde bij de teefjes, maar dat is zo’n principieel andere benadering dan het paren, dat er verder niet over gepraat hoeft te worden.

Nu schort het me aan ervaring om hier bij pubers zoals Rasmus in tussen te komen. Ook mijn mens liet alles tergend lang begaan.

‘Hij wil niet groot worden’, grijnsde één van de jongeren. ‘Begrijpelijk’, opperde een ander. ‘Wie wil nu volwassen worden??’

‘Een kwestie van aangeleerde hulpeloosheid’, vond nog een ander.

‘Heeft hij hulp nodig volgens jullie, of houden we het erbij dat hij niet volwassen hoeft te worden??’

De jongeren twijfelden.